Er zijn schrijvers die je leest en waarbij je meteen denkt: dit gaat over mensen die ik ken. Over de vrouw aan de kassa. Over de man die elke ochtend op hetzelfde bankje in het park zit en met niemand praat. Erik Vlaminck is zo’n schrijver. Gisteren heeft hij de Arkprijs van het Vrije Woord gekregen, de 76ste editie van een prijs die al sinds 1951 dwarsliggers bekroont; eigenzinnige mensen die hun nek durven uit te steken voor de vrijheid van denken. Vlaminck past in dat rijtje als geen ander — niet omdat hij met het grote gebaar de barricaden bestormt, maar omdat hij al meer dan dertig jaar lang koppig en consequent een stem geeft aan wie er geen heeft.
De jury vond die stem, ik citeer, ‘in tijden van groeiende ongelijkheid, verkilling en polarisering relevanter dan ooit’. Ik kan dat alleen maar beamen. In een tijd waarin influencers met miljoenen volgers de aandacht opeisen, waarin bekende koppen van het ene talkshowbankje naar het andere schuiven en politici doof lijken voor wie het minst luid roept, houdt Vlaminck vol. Hij schrijft over de mensen die niemand ziet. De daklozen, de psychiatrische patiënten, de armoezaaiers, de foorkramers — de left behinds, zoals Frank Zappa ze noemde.
Dikke Freddy
Het meest tastbare bewijs van die volharding heet Dikke Freddy. Sinds 1993 schrijft Erik Vlaminck columns onder die naam — brieven van een dakloze die zich richt tot de machtigen: ministers, het OCMW, reisbureaus, de burgemeester van Antwerpen. Met humor die snijdt; met woede die zich vermomt als kolder. Vlaminck zei er zelf over: ‘Dikke Freddy is de nar. Dat is een figuur die al sinds de middeleeuwen in onze literatuur zit. Het is de nar die de koning de waarheid zegt. En hij mag dat omdat het een nar is. Maar mijn mening sluipt natuurlijk wel binnen in de brieven.’
De columns begonnen in Alert, een tijdschrift over sociaal werk, en verschenen later in De Standaard en op het webplatform Sociaal.net. Ze werden gebundeld in inmiddels zes boekdelen; ze werden voorgelezen op congressen en studiedagen; ze werden opgevoerd als theater. Dikke Freddy is de verpersoonlijking geworden van de genegeerde gewone mens. Zijn brieven zijn cynisch en hilarisch en tegelijk bloedernstig — als humor verdriet op zijn kop is, dan hebben ze een hoog schatergehalte. Maar als humor aankaagt, dan moet je je schamen.
En dat is precies wat Vlaminck doet: hij laat je lachen tot je beseft dat het niet grappig is.
Schrijven over wat je kent
Wat Vlaminck zo bijzonder maakt, is dat hij schrijft vanuit ervaring. Jarenlang werkte hij als hulpverlener in een psychiatrisch centrum, als straathoekwerker, psychotherapeut en welzijnswerker. Pas in 1994, op zijn veertigste, werd hij voltijds schrijver. Maar de sporen van dat vorige leven zitten in alles wat hij schrijft.
Hij zei daarover zelf in een interview:
‘Ik kan alleen maar schrijven over dingen die ik ken: mijn jeugd, mijn vakantiejob op de kermis, mijn werk in de psychiatrie en met daklozen. Mijn personages zijn gewone mensen. Dat interesseert me het meest. En over een gewone mens kan je evengoed een dramatisch verhaal maken als over iemand die speciaal is.’
Neem Iconen (2023), een inktzwarte roman over de gang van zaken in een Vlaams psychiatrisch centrum in de jaren zeventig — een wereld van machtsmisbruik en onmenselijke bejegening, verteld met zoveel ironische toetsen dat je bijna wilt geloven dat het nooit zo gebeurd kan zijn. Maar het is wél zo gebeurd. Of neem Suikerspin (2008), de roman waarmee hij doorbrak bij een groot publiek: het verhaal van een kermisfamilie en het mensonterende lot van een Siamese tweeling die op Vlaamse kermissen wordt tentoongesteld — vier generaties lang de gevolgen van uitbuiting en armoede, geschreven met bravoure en een onnavolgbare beheersing van de spreektaal. Of Brandlucht (2011), of Het Nachtlicht (2025), zijn jongste roman, waarin de dakloze Ronny overleeft dankzij een warmhartige cafébazin, jukeboxmuziek, veel pils en drie kompanen — onder wie Dikke Freddy.
Steeds weer kiest Vlaminck het standpunt van de onderdrukte, de zielepoot, de patiënt die geen zeggenschap heeft over zijn eigen lot. Hij combineert engagement met humor op een manier die bijna niemand hem nadoet. Een boek met alleen engagement is meestal vervelend. Alleen humor is meestal plat. Vlaminck maakt een briljante combinatie van de twee.
Een persoonlijke noot
Ik heb altijd veel voeling gehad met het werk van Erik Vlaminck, zoals ik die altijd zal hebben voor schrijvers die de besognes van de gewone man en vrouw beschrijven. Niet uit literaire strategie, maar gewoon omdat ik die wereld zelf het best ken — ik kom uit een arbeidersgezin en ken ‘gewone mensen’ goed. Ik geloof net als Vlaminck dat er ook over die mensen verhalen kunnen verteld worden, en dat ik het best kan schrijven over wat ik het best ken.
Zoals Gerrit Komrij ooit schreef: ‘De meest poëtische boom die je beschrijft, heeft altijd betrekking op een boom die je zelf eens gezien hebt. Eigenlijk is alle literatuur autobiografisch.’
Toen ik debuteerde met Vurige tong en mijn uitgeverij me vroeg van welke auteur ik een quote op de achterflap wilde, antwoordde ik meteen: Erik Vlaminck. Omdat mijn debuut — en alles wat daarop zou volgen — ook over gewone mensen gaat. En zo geschiedde: Vlaminck bezorgde me een quote en ik kon niet trotser zijn.
Waarom het ertoe doet
De Arkprijs is een symbolische prijs. Er is geen geldbedrag aan verbonden. Maar de erkenning is groot, en ook dit jaar is ze weer noodzakelijk. In een wereld die steeds harder draait rond zichtbaarheid en bereik en waarin het debat gedomineerd wordt door wie het luidst schreeuwt of het meest volgers heeft, is het werk van Erik Vlaminck een herinnering aan iets essentieels: dat literatuur er is om te zeggen wat anders ongehoord blijft.
Dikke Freddy schrijft al meer dan dertig jaar brieven naar hogerop. Hij krijgt zelden antwoord. Maar hij blijft schrijven. En wij blijven lezen.
Proficiat, Erik Vlaminck. Deze prijs had niet naar een beter adres gekund.

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.