RSS Amplifier

Eerlijk Gezegd · Jul 2, 2026

Wit goud en zwart haar in Limburg en Las Vegas

0
Sign in to vote or save

Ted Struwer · Eerlijk Gezegd

Voor geen goud krijg je mij Amsterdam nog uit, wat wonen en leven betreft, maar anders dan Amsterdammers soms denken is Amsterdam niet het centrum van het universum. Zonder twijfel mijn lievelingsprovincie is Limburg, en niet alleen omdat mijn familie er vandaan komt.

Ik hou van het bourgondische, van de bescheidenheid tegelijkertijd, van de rijke glooiende natuur waar Neerlandse wandelliefhebbers voor naar het buitenland denken te moeten. Ik houd ervan dat het dichtbij is, en toch ver genoeg van mijn (sociale) verplichtingen. En ik houd van asperges, oh, ik houd zó van asperges!

Vanaf april sta ik al te popelen. Hoe doet het weer het, kunnen we een beetje regen krijgen alstublieft, ho, ho, niet te veel, is het al zover? Zodra het feestelijke seizoen van het witte, Limburgse goud officieel opent, reis ik zo vaak ik kan richting het zuiden. Liefhebbers weten: geen asperge zo lekker als vers van het land. Stengels die kilometers over de rivieren hebben moeten afleggen om er in noordelijke supermarkten moe en uitgedroogd bij te hangen blief ik niet, dank u de koekoek.

Op een van deze als zomer vermomde lentedagen fiets ik met blote benen over de Limburgse zandpaden van mijn jeugd, langs tamme kastanjes en wilde lindes, mijn zoon Sjakie voorop in het kinderzitje, wijzend naar alle zaken die volwassenen niet meer zien maar die een eenjarig kind compleet kunnen verbluffen. “Wauw, mamma, bomen”, “wooow, mamma, vogel”, “buiten, buiten, oh, mamma, koe.”

Op naar de aspergeboerderij voor de laatste oogst van het seizoen. Ik kom er graag, al richten ze het woord meestal tot mijn moeder, oeverloos ouwehoeren ze in dialect terwijl ik vergeefs probeer mijn harde G en rollende R te camoufleren. Daar denk ik nooit veel van, ik wijt de mislukte pogingen tot contact aan mijn onvermogen de zuidelijke tongen wel te verstaan maar niet te spreken. Tot de dag ervoor mijn vriend, eveneens Amsterdammer, ook asperges kwam inslaan en wél warm werd onthaald.

In de aspergeschuur til ik Sjakie op de toonbank. Hij kijkt met zijn grote zwarte ogen naar de boerin en zwaait. “Hawwo,” zegt hij vrolijk, geen respons. Ik wijs naar een bak asperges (niet de dikste, niet de dunste, niet de duurste, niet de goedkoopste) en word stug geholpen. Naar Sjakie wordt niet omgekeken.

Op de terugweg trap ik harder dan nodig. I love Limburg en Limburgers, maar Limburg is óók de provincie waar massaal op Wilders wordt gestemd. Is dit een gevalletje geweest van wat de boer niet kent, dat lust-ie niet? Is mijn liefde wel wederzijds?

In gedachten houd ik een nogal sneu defensief pleidooi: wij zijn halve Limburgers! Ik kom hier al mijn hele leven! Asperges zijn mijn lievelings!

Zie ik spoken? Misschien heeft de boerin gewoon een rotochtend, ruzie met haar vent, een terminaal zieke buurvrouw, je weet nooit. In Amsterdam word ik ook heus niet altijd stralend ontvangen, en dan denk ik bij onvriendelijk personeel hooguit die heeft d’r dag niet, of, als ik zelf mijn dag niet heb, wat een kutwijf.

Waarom zoek ik hier wél iets achter?

Ik ben bang dat de toenemende xenofobische stemming in het land de vrouw anders naar zwartharige mensen laat kijken, naar mij, naar mijn zoon met zijn zwarte ogen en zongebruinde huid. Ik vrees dat ze geen onderscheid meer weet te maken, tussen het kleine, luide groepje overlast bezorgende asielzoekers die haar Facebooktijdlijn domineert, tussen de goeiige stille meerderheid die braaf in de asielzoekerscentra zit, of in het gras, en tussen mensen zoals wij, die niet eens asielzoekers zijn, maar wel pigment hebben.

Tegelijkertijd: hetzelfde rechtsracistische klimaat maakt misschien ook dat ík te snel concludeer dát ze anders kijkt. Ben ík het die háár juist discrimineert? Zitten we in eenzelfde schuitje, de boerin en ik?

Terug in de Limburgse familiekeuken kieper ik de asperges in een pan, smelt in een steelpan een flinke klont boter en snuif de romige lucht diep in. Mijn telefoon trilt. Mijn broertje. Hij stuurt foto’s van een Amerikaanse oldtimer - een Cadillac? - en een rits palmbomen.

“Ben in Las Vegas voor werk,” schrijft hij.

Las Vegas? Wablief?! Waarom zegt ie dat nu pas? Driftig begin ik te typen. Houd overal je paspoort bij je, ook als je alleen een blokje om gaat, die ICE-agenten zijn doodenge racisten, ze duiken óveral op, en jij met je ambigue koppie wordt sowieso aangezien voor Zuid-Amerikaanse migrant zonder papieren, ze pakken je op, zonder schroom, en smijten je met grof geweld achterin een bomvolle bus, nog voor je je Nederlandse paspoort hebt kunnen trekken.

Ik plak er een woud aan uitroeptekens achteraan.

Drie uur later antwoordt hij.

“HAHA ik ben niet in Las Vegas, sukkel. Ik ben in Walibi.”

Share

[Foto die mijn vader nam van mijn zestienjarige zelf, in slaap gevallen met mijn kleren nog aan, na een nacht werken aan mijn kunstacademietoelatingsexamen]

Toen ik zestien was wilde ik stoppen met het vwo en toegelaten worden tot de kunstacademie. Een van de thuisopdrachten die ik voor mijn portfolio moest maken, luidde zijig: ‘Mijn Passie’. Lastig, lastig. Ik heb geen passie, ik heb geen eens hobby’s, en omdat ik nogal een flierefluitende naar-alles-met-de-pet-gooiende-puber was, stelde ik de thuisopdrachten eindeloos uit. De nacht voor mijn toelatingsexamen beet ik tot 5 uur in de ochtend mijn nagels stuk op de vraag: wat moet ik in godsnaam verzinnen?

Hiermee kwam ik aanzetten:

Dat ik werd aangenomen mag wel een wonder heten.

Gisteren kwam ik toen ik door mijn wijk fietste onverwacht uit bij een Ketikotiviering. Een Surinaamse brassband speelde feestelijke muziek, midden op straat, en mensen van diverse pluimage uit de buurt krioelden er dansend en klappend omheen. Een politieagente vroeg een in kleurrijke, traditionele kotomisi en angisa gehulde vrouw vrolijk of ze met haar op de foto mocht. Als ik melodramatisch was aangelegd zou ik een traantje hebben weggepinkt, was ik een patriot had ik gezegd: dit is waarom ik oneindig van Amsterdam houd.

TOT SLOT:

Ik heb een Limburgse banger overwogen, maar tip toch een Amsterdamse band uit de sixties. ‘Cause it’s the dawning of the age of asparagus.

Lees je deze nieuwsbrieven met plezier? Wat leuk :)))

Het helpt mij erg als je edities doorstuurt of je abonneert. Ik schrijf gratis, maar ik zal een eenmalige of periodieke traktatie op een ijskoffie, nieuw zwempak of een heel weekend terrashangen niet afslaan :))) DONEER HIER (enorm veel dank & voel je nóóit verplicht!).

Share

Read the original on tedstruwer.substack.com

Comments

Nothing yet. Say the first thing.

    Sign in to join the conversation.