Het verhaal was dat ik wél wilde festivallen, maar geen zin had in rugpijn. Althans, dat was wat ik tegen L. zei, die me met opgetrokken wenkbrauwen en strakke mond aankeek, want hij voelde mijn vraag al aankomen: “Of we op Down The Rabbit Hole op de glamping konden staan”. Zijn eerste reactie was kort en duidelijk: “Nee, wat een onzin”. Voor hem waren de twee jaar tussen de laatste keer dat we naar het festival gingen lang genoeg geweest om de pijn in zijn rug en knieën (waar hij op dag 1 al over begon, might I add), te vergeten.
Het verhaal is óók dat ik een prinsesje ben. Ik houd van kamperen, maar niet van een tent opzetten en kloten met greppels. Ik ga graag uit eten, maar dan moet het aan “mijn standaard” voldoen: voor simpel eten dat klopt trek ik graag de portemonnee (ik houd dan weer niet van conceptueel koken, dat vind ik echt gelul), maar ik heb ook vaak genoeg met een zure bek boven een vegetarische “schotel” met kaas gezeten. Ik drink af en toe alcohol, maar dan alleen dingen die ik héél goed of lekker vind, ik drink geen pils van een euro meer. Ja, ik trek mijn neus op voor populaire boeken en ik weet dat dat me onuitstaanbaar maakt. Onze keuken staat vol met dure keukenapparatuur, ja, omdat we veel koken, maar ook omdat ik niet ongevoelig ben voor statussymbolen. Toen ik nog op het contentbureau werkte, was het in de vriendengroep lachen, gieren, brullen geblazen als we de recap van Havermelkelite op Instagram haalden. HME voelde als een geuzennaam, en als we er lacherig over deden, was het geen probleem om alle ongemakken uit het leven te elimineren door er geld tegenaan te smijten, ook als dat betekende dat onze bankrekeningen halverwege de maand leeg waren omdat we continu uit eten gingen en onze fietsen niet naar de fietsenmaker brachten, maar gewoon een elektrische huurfiets van straat trokken. Ik ben verwend, veel dingen in het leven zijn me veel te makkelijk afgegaan en dat komt door een belachelijke hoeveelheid privilege. De bijnaam Koning Smaak die ik op mijn huidige werkplek heb, is niet uit de lucht komen vallen. En dus wilde ik glampen, want ik had geen zin om op een lek luchtbed te liggen en elke dag als een vleesgeworden flipphone uit de tent te kruipen. Op de glamping zou het best gezellig worden, toch?
Ja want gezellig, dat was het op de festivalcamping, dat wist ik. In de drie keer dat ik in mijn leven naar een meerdaags festival ging, stond ik altijd op de festivalcamping en dat was altijd feest (zelfs dat jaar dat er over mijn tent werd gesprongen). Waarom het zo gezellig was? Omdat je elke ochtend met een groep vrienden om de gasbrander met daarop het pannetje met knaks erop zit. Je hebt allemaal een verlepte kop en niemand doucht want de rijen zijn te lang. Je geniet samen van het kleine stukje weiland dat je hebt geclaimd. Je bidt samen dat de partytent de rukwinden overleeft. Kortom: je voelt je in en in verbonden met elkaar. Dat is wat er leuk is aan samen in de bagger op een weiland staan.
De keerzijde is dat festivalkamperen een aanslag op je lijf is: ik ben met mijn 1.85 niet gemaakt om in een klein tentje te kruipen en ja, met mijn vrienden is het leuk, maar na dag 1 ben ik klaar met de snuivende Friese buurman, die weinig anders doet dan orakelen en aan het dichtsbijzijnde hek knagen. En god ja, ik word een emotioneel wrak als ik weinig slaap, dus doe ik mijn omgeving er echt een plezier mee, met “gezellig” kamperen? Niet bepaald.
Dit jaar sloeg ik die aanslag op mijn lijf en mijn omgeving liever over. Bovendien gingen L. en ik met z’n tweeën dus de gezelligheid van een groep was er niet. En dus keek ik naar de glampingtenten terwijl ik L. herinnerde aan zijn rugpijn van de laatste keer (een uitgekiende tactiek), aan hoe ik hem elke nacht wakker maakte “omdat hij aan mijn kant van het luchtbed lag” en dat het met z’n tweeën op de camping minder leuk was dan met een groep. Het glampingticket dat we met korting konden kopen gaf uiteindelijk de doorslag en “vooruit”, zei L., misschien was het inderdaad lekker om een jaar niet naar de getver te gaan.
Ik weet niet wat ik had verwacht bij glamping, maar zoals wel vaker had ik er niet goed over nagedacht. Ik was vooral bezig met die paar uur extra slapen en geen last van mijn rug. Toen we achter twee kale mannen uit Amsterdam die niks anders deden dan klagen over hoe lang ze in de file stonden naar het terrein liepen, begon het me te dagen dat we misschien een fout hadden gemaakt. Dat gevoel versterkte nog wat toen bleek dat de mannen voor geen enkele glimlach vatbaar waren. Bizar want man, dat glampingpersoneel, dat doet z’n uiterste best om een grijns uit je zure smoel te persen hoor.
Waarom konden deze twee de file niet loslaten, we waren hier toch om plezier te maken met elkaar? En waarom zei niemand dankjewel tegen de festivalcrew, wat was dit voor rare plek? Zelfs in de luxe incheckruimte van de glamping zag ik een paar mensen nog denken: “Wat een pauperbende.” Hoe dan? Hadden deze mensen nog nooit tot hun enkels in een verse plas van de buurman gestaan (dat gevoel als je sokken zich volzuigen met dat lichaamsvocht van een ander, dat is echt ongeëvenaard ranzig). Waarom was niemand blij om hier te zijn?
De glamping stond achter een hoog hek en straalde weinig festivalgezelligheid uit. Rij na rij van dezelfde tenten stond opgesteld en midden op het veld was een tent met catering waar je oude chocoladebroodjes kon bestellen terwijl de jetset uit de hoofdstad in je nek stond te hijgen (en je zo nu en dan een duw gaf, als je niet snel genoeg doorschoof). Er waren douches, échte toiletten en een make-upruimte. Dat klinkt misschien chil, maar straalde in de praktijk vooral gated community uit. Toen ik op zondagmiddag hard meezong met Rollen met die kop van IJSLAND dacht ik: “Ja, maar dus ook die van mij, met mijn fucking glamping”.
Ik moest denken aan een Amerikaans stadje dat ik een paar jaar eerder in een documentaire had gezien, waar de bewoners achter metershoge betonnen muren woonden, om zo de boze buitenwereld buiten te houden. Het gras was op elk gazon even hoog en iedereen sliep met een gun onder z’n kussen. Als je niet in het plaatje paste (wit), was je niet welkom. De muur maakte niet dat mensen het gezelliger hadden, zo mogelijk voelden ze zich nog ongelukkiger. Zo voelde de glamping ook. Achter de omheining van de glamping was niks te merken van het gevecht om een goede plek op het veldje, van de worsteling om de partytent te beschermen tegen de windvlagen, van de snuivende Friese buurman. Alles, van de houten balie met daarachter intens verveelde festivalmedewerkers die duidelijk geen zin hadden in die omhooggevallen types waar wij er ook twee van waren (ik heb zelden in mijn leven zo geglimlacht en alstublieft en dankjewel gezegd), tot de glamoureuze make-upruimtes en de wellness waar je languit in de sauna kon liggen, straalde een ongekende leegte uit.
Dit, bedacht ik me, was waarschijnlijk hoe het voelde als je achter lintje van de vip-ruimte kwam. Ik had me daar altijd voorstellingen over gemaakt, dat daar van alles zou gebeuren waar ik als gewone sterveling geen weet van had, dat daar de auteurscontracten beklonken werden. Maar hier bleek niks minder waar: als alle ongemakken geëlimineerd zijn, blijft alleen de existentiële leegte over. Misschien kun je toch niet janken in een goudkleurige Mercedes, omdat je ziel dan al volledig leeg is.
Het Amsterdamse stel dat zo mopperde over de files bleek naast ons te staan en was best in voor wat gezelligheid: een praatje, een vlaggetje aan de tent en ook zij hadden, net als wij, hun eigen kookstelletje mee. Het geklaag bleef, overigens. Aan de andere kant van onze tent stonden vrouwen die met elke begroeting hun hoofd verder de andere kant op probeerden te draaien (naar het einde toe maakte ik me zorgen dat ze hun nek zouden breken) en ook de andere buren zeiden geen, of nauwelijks hallo.
Ja, je betaalt voor de rust, kun je als lezer denken, maar festivals zijn toch bij uitstek de plek om de verbinding op te zoeken? Juist daar groet je elkaar. Of betaal je de prijs om die verbinding koste wat kost te vermijden? Hoe gezellig de vlaggetjes van onze buren ook waren, ze konden de zielloze leegte van de glamping niet opvrolijken. Hoe lekker ik me ook voelde omdat ik meer sliep dan ik ooit op een festival heb gedaan, dat gevoel woog niet op tegen het eenzame gevoel dat ik ervoer als ik met L. over het glampingterrein liep, als ik weer achter mensen stond die zich het hele weekend volpompten met drugs om maar even iets te voelen, iets anders dan de holle ongezelligheid van het glampingterrein. Misschien zit de ongezelligheid ‘m ook daarin: om maar iets te voelen, nu al je ongemakken zijn verdwenen.
Hoe anders was het daarbuiten, in die wereld vol ongemak. Als we ‘s ochtends met onze handdoeken om de schouders naar het meer liepen voor een eerste duik, was het één en al gezelligheid om ons heen. In het water zag ik alleen maar blije gezichten, terwijl je elk recht hebt om chagrijnig te zijn als je stinkt en iedereen tegen je tent aanpist. Maar zo was het niet, mensen maakten ruimte voor elkaar. In het publiek bij IJSLAND zag ik hoe een vrouw haar arm om de borst van een andere vrouw heen had geslagen, ze hield haar dicht tegen zich aangedrukt om haar zo uit de pit te houden. De festivalcrew was één grote glimlach, als we in de rij stonden voor eten maakten we praatjes met anderen. Mensen hielden rekening met elkaar.
Uiteindelijk koopt geld je uit alle ongemakken van het leven, maar het doet niks voor je ziel, zo bleek maar weer. Je wordt er geen leuker mens van. De HME-fase van mijn vriendengroep, waar ik in het begin van dit artikel over vertelde, verdween trouwens. De elektrische fietsen ruilden we in voor frequentere bezoekjes aan de fietsenmaker (behalve D. en T., die kochten een elektrische fiets) en ja, we genieten nog steeds van de lekkere dingen des levens, maar voeren geen strijd meer om in het weekendoverzicht van HME te komen. Even lieten we ons meeslepen door het idee van status maar daar kwamen we snel van terug, want wat bleek, elke week in een cirkeltje praten over de zoveelste Instagramtrend, dat gaat op den duur vervelen.
Dus wat rest me, in de strijd tegen rugpijn maar met de wens om te blijven festivallen? Volgend jaar eindelijk een fatsoenlijke slaapmat? Op zoek naar een huisje in de buurt van het festivalterrein? Toch maar weer glamping en zoals L. en ik nu ook deden, zo min mogelijk tijd op dat terrein besteden? Nee hè, dat is het niet.
Ik weet het niet. Wat ik wel weet: ik neem alle rugpijn van de wereld op me om die totale leegte van het glampingterrein te vermijden.
Liefs,
Charlotte
Leestip: Ik lees het laatste deel van de Living Autobiography Trilogy van Deborah Levy: Real Estate. In Real Estate neemt Levy je mee in het huis dat ze voor zichzelf wil bouwen: zowel in haar hoofd, als in de buitenwereld. Ik ben diep onder de indruk van de manier waarop Levy haar essays opbouwt, ze weet heel goed hoe ze losse eindjes aan elkaar moet knopen en zelfs als ze een spoor ingaat waarvan je als lezer denkt “huh”, valt het kwartje aan het einde altijd. Ze schrijft schitterend, bijvoorbeeld in deze passage:
When I woke up twenty minutes later, I tried a drop of ylang-ylang to conjure up the sleep that had evaded me. The air steward arrived to whisper that one of the passengers did not love my aromatic potions wafting around the cabin. She told me that, personally speaking, she applauded me for turning the cabin into a temple of delight, but all the same she was obliged to pass on the message. I noted that the man who had complained was now snoring loudly with his mouth wide open. My aromatic potions had offered him sleep (I was convinced) but not myself. I was awake all night while ylang-ylang flowers hung about the boughs of his dreams.
Prachtig toch? Wat een beeld, die bloemen, maar ook: my aromatic potions wafting around the cabin, wat een woordkeuze, zinsopbouw. Levy schrijft smakelijk, ik weet er geen ander woord voor te bedenken, smakelijk omdat je door haar woorden trek krijgt in het leven dat ze omschrijft: een leven met guave-ijs en slapen in zijden lakens en feesten in een club die is ontworpen door David Lynch. Als lezer proef je haar woorden. Het is echt schitterend. Goed, nog eentje:
To sleep in silk was a revelation. It was cool and warm, like a second skin, perhaps a lover. When I replaced the silk with the cotton sheet on which I had slept all my life, it suddenly felt very harsh on my skin. I kept in there for a week, perhaps in the way that hair shirts were worn as a means of keeping in touch with the harsh realities of life. Frankly, I did not need any more of that sort of reality. In this regard the silk sheets were lighter than the weight of my living.
Kijktip: Op Amazon Prime staat sinds kort één van mijn lievelingsseries: Parks and Recreation. Parks and Recreation gaat over het parks department van het fictieve plaatsje Pawnee en het wel en wee van haar medewerkers. Hoofdpersoon Leslie Knope wil er in de bureaucratie van de lokale politiek het beste van maken maar wordt daarin gedwarsboomd door een totaal ongeïnteresseerde overheidshatende baas (Nick Offerman als de iconische Ron Swanson) en incompetente collega’s. De serie is bijzonder grappig en hartverwarmend, aanrader als je ‘m nog niet hebt gezien.
Leestip (2): Het onderzoeksartikel van Ben Meindertsma en Huib Modderkolk van de Volkskrant over hoe de Nederlandse inlichtingendienst niet geloofde dat Poetin Oekraïne binnen zou vallen. Lees het artikel.
Luistertip: Op Down The Rabbit Hole was ik diep onder de indruk van de nieuwe show van De Staat, een band waar ik niet per se fan van ben, maar die in samenwerking met Floor Houwink ten Cate een concert samenstelde dat meer op een theatervoorstelling leek. Ik had echt nog nooit zoiets gezien, zo’n combinatie van kunst, theater en muziek. Indrukwekkend en vet, volgens mij staan ze ook in Carré dit jaar, ga er vooral heen, ook als je niet veel met de muziek hebt. Onderstaand nummer heb ik al een week in mijn hoofd:
Eettip: In elk geval geen vegaknaks, want die kan ik niet meer zien. Daarom wederom een bakplaatje (ook lekker voor de lunch): groene groenten met ricotta en bulgur. van Rukmini Iyer. Het recept.
Esther Donkers met haar impressies uit het VMBO. Ik vond deze twee delen zo’n leuk inkijkje dat ik hoop op een feuilleton. Er zit zoveel liefde in hoe Donkers over haar leerlingen schrijft. En het is goed geschreven ook hè, holy moly, wat een vaart. Ik kreeg het gevoel dat ik zelf in het klaslokaal zat.
Ik schreef twee jaar geleden ook over Down The Rabbit Hole:
Handen in de lucht en groeten van DTRH
·
July 8, 2024
Het gewricht in mijn onderrug is ongekookte spaghetti, als ik buig dan knap ik in tweeën. Als in tweeën knappen voelt alles op een festival: in tweeën van blijdschap heupschuddend bij Jungle - niet vergeten, als H. met haar ogen dicht danst is het echt goed - in tweeën over wat we nu weer gaan eten, de naan roll of toch weer okonomiyaki maar de rij is z…
Subscribe je nog niet? Schrijf je gratis in via onderstaande knop. Stuur De Weekstart vooral door naar al je (kantoor)vrienden die elke maandag ook vliegend van start willen gaan. Of die een hart onder de riem (ik laat me vertellen dat mensen die nog dragen) kunnen gebruiken.
Oxfam Novib doet wereldwijd veel goed werk. Zo zorgen ze bijvoorbeeld voor noodhulp in Palestina of in Soedan. Op de website van Oxfam Novib vind je informatie over alle gebieden waar deze organisatie hulp verleent en over alle andere dingen waar deze organisatie zich voor inzet. Doneren is altijd een goed idee, al is het maar een paar euro. Alle kleine beetjes helpen.
Genoot je van deze Weekstart? Met een koffie maak je me altijd heel blij. Koop een kopje koffie voor me.
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.