“Ah, de Amsterdamsestraatweg, liep die vroeger van Utrecht naar Amsterdam?”, vraagt mijn moeder altijd als ik deze Utrechtse straat noem in een verhaal. De vraag maakt dat ze volledig opgaat in het mysterie van de weg, wat tot gevolg heeft dat ze daarna niet meer weet waarover we het hadden.
De Amsterdamsestraatweg is één van de drie straten die ze kent in de stad waar ik woon, de andere twee zijn straten waar ik daadwerkelijk heb gewoond (in totaal woonde ik op bijna 10 adressen in de stad en die kan ik zelf ook niet allemaal onthouden). Waarom de Amsterdamsestraatweg naast die twee blijft hangen is me een raadsel. Zelf is ze er nog nooit geweest.
De Amsterdamsestraatweg is niet de eerste straatnaam die ik leer als ik in Utrecht ga studeren. Dat is de Padualaan, waar de hogeschool staat. Het is ook niet de tweede en zelfs niet de derde, de derde is een zijstraat van de Amsterdamsestraatweg waar iemand woont die ik als een vriendin zou willen zien, maar waarvan ik twijfel of ze me daar cool genoeg voor vindt. Die twijfel bestaat niet alleen in mijn eigen hoofd want als ik voor het eerst buiten school met haar optrek vertelt ze me dat ze mijn enthousiasme aan het begin van het jaar zo storend vond, dat ze twijfelde of ik wel de moeite waard was om mee op te trekken, maar gelukkig bleek ik ook een cynische ondertoon te hebben. Ik maak een mentale notitie van die opmerking (“geen enthousiasme meer tonen”) en zij nodigt me daarna uit om bij haar thuis te slapen na schoolfeesten, zodat ik niet vroeg moet vertrekken naar het huis van mijn ouders, dat ver buiten de stad staat.
Als ik de bus naar haar huis neem (bus 3, een onderneming waarvan ik hartkloppingen krijg want wat als ik niet weet waar ik eruit moet???), rijd ik over de Amsterdamsestraatweg en zo maakt wat op het blote oog de langste straat van Utrecht lijkt (en dat ook is) zijn intrede in mijn leven.
Door de Amsterdamsestraatweg naar de vriendin rijden is in een andere wereld stappen, in de bus is het druk (in de belbus naar het dorp waar ik dan woon is het nooit druk), ik kan nooit zitten en sta altijd schouder aan schouder met andere passagiers, maar goed ook, want anders zou ik als een bowlingbal door de hele bus rollen. Als ik uitstap vlakbij haar huis komt het getoeter van auto’s me bijna altijd tegemoet. Ze woont tegenover een Albert Heijn waar ik na het uitgaan kaas-kruiden croissaints koop, die helaas niet meer bestaan, maar waar ik nog vaak van droom. Op de hoek van haar straat zit een oude sigarenboer waar ik voor het eerst sigaretten koop zonder de angst dat mijn moeder achter me opduikt. Maar echt op mijn gemak voel ik me nooit, de angst dat iemand naar me toekomt en zegt: “Ga eens terug naar je dorp”, verlaat me in die periode nooit.
Ik ga niet vaak met de coole vriendin uit, maar als ik met haar uit ga blijf ik altijd slapen. In tegenstelling tot een ander klasgenootje dat de oversteek naar Friesland moet maken in het holst van de nacht, die heeft nooit ergens een slaapplek. Dat weerhoudt klasgenootje Friesland er niet van om naar elk schoolfeest te gaan. Omdat de coole vriendin het zielig vindt mag deze klasgenoot wel een poosje wachten bij de coole vriendin thuis. Ik krijg daar trouwens maar weinig van mee want als die afspraak beklonken wordt sta ik met mijn rug tegen een sigarettenautomaat gedrukt in tongworstelgevecht met iemand die me vijf minuten later zal vragen: “Of ik in liefde op het eerste gezicht geloof.” En dat doe ik, maar niet met hem. Hij doet tegenwoordig iets met de Baghwan geloof ik.
Het klasgenootje vind ik vervelend dus ik negeer haar als ik bij de vriendin thuis kom en we weten niet hoe snel we in bed moeten kruipen. De coole vriendin en ik vallen in slaap, als we wakker worden, is ze weg, moederziel alleen de Amsterdamsestraatweg uitgelopen naar het station, leren we de volgende dag. Ik zeg nooit sorry tegen haar.
Overigens denk ik dat als mijn moeder naar de Amsterdamsestraatweg zou gaan, ze haar ogen uit zou kijken. Haar hoofd zou van kant naar kant draaien om alle indrukken in zich op te nemen: de eindeloze rijen auto’s, “wat een fietsen!”, zou ze zeggen over de bonte verzameling fietsen in de fietsenrekken en “wat een mensen, tsjongejonge.” Ze zou toko’s zien die ze niet herkende, de geur van gegrild vlees en kruiden waar ze nog nooit van had gehoord in combinatie met wasgoed opsnuiven, zich verbazen over de hoeveelheid kapperszaken en mensen die buiten op een stoepje in de zon zaten. Maar vooral zou ze roepen: “Al die fietsen op de stoep!”
Als je de Amsterdamsestraatweg uit fietst tot net voor het Julianapark en naar links gaat en dan onder het viaduct door en dan naar rechts de weg oversteekt, kom je uiteindelijk bij een discotheek die een soort bouwloods is, maar dan hangen er hanglampen aan het plafond, er is een bar, een preekgestoelte naast de dj-tafel en een soort balkon. Zo ziet het er nu niet meer uit, maar ten tijde van deze anekdote wel.
Ik sta aan de voorkant van dit gevaarte wel of niet te roken, de wind maakt het moeilijk om mijn sigaret aan te steken (dus wel te roken) en ik houd mijn telefoon tussen mijn oor en schouder geklemd. Ik bel L., die op het huis van een vriend past in Amersfoort voor de tweede keer die avond, om hem over te halen naar dit feestje te komen, ook al is het levensgevaarlijk om de weg op te gaan (“schatje, het is maar wind, we gaan op avontuur! we zijn jong!! AVONTUUR L. AVONTUUR”) Liefde waant onaantastbaar dus ik probeer het nog eens en hij komt: hij neemt een Uber en zal er een uur over doen.
Als een uur later de lichten aan gaan omdat het feest voorbij is, zie ik een vertrouwd gezicht achter de ruiten op me af komen, vol hoop en zin in een doldwaze avond. Wat zou ik hem daar graag nog even houden, maar het personeel wil toch echt dat ik naar buiten ga.
Ik denk heel lang dat de ASW iets anders is dan de Amsterdamsestraatweg maar als ik de verbinding leg zeg ik ASW alsof ik het nooit anders heb gezegd en stiekem geniet ik ervan als mensen niet weten wat het betekent, wat me tot een walgelijke stadssnob maakt, iets wat ik me had voorgenomen nooit te worden. Maar goed, hier ben ik, deze mens aan het zijn.
Ik leer de ASW (sorry) pas echt goed kennen als ik ga knipperlichten met iemand die op, wat ik op dat moment denk dat het einde van de weg is, woont. Ik fiets dat jaar door de zon en door de regen de Amsterdamsestraatweg af, ik fiets er ‘s ochtends vroeg als het er stiller is dan ik het ooit heb gezien en ‘s avonds laat als de hele stad slaapt, behalve deze weg.
Het knipperlichten duurt niet zo lang als de herinnering die me achtervolgt als ik de ASW (sorry 2x) in de jaren daarna af fiets, ook wat niks wordt lift nog een poos op je bagagedrager met je mee.
Je hebt er trouwens altijd tegenwind. Ik weet dat dat onmogelijk is, soms moet je meewind hebben, maar ik heb er al-tijd tegenwind. Het maakt het geen onaangename weg om te komen, maar wel een overdreven lange.
Ik klaag aan de lunchtafel tegen (dan nog) werkvriend D. over dat ik gisteravond “helemaal achterop de Amsterdamsestraatweg ben geweest”. “Er kwam geen einde aan”, mopper ik. Als hij vraagt waar ik was (net voorbij het Julianapark) blijkt dat de Amsterdamsestraatweg nog veel langer is dan ik tot dat moment dacht.
Ik weet niet wat het zegt over mijn moeder dat zij nog nooit op de Amsterdamsestraatweg is geweest. Ze is waarschijnlijk op veel plekken geweest waar ik nooit ben geweest, op reisjes na het pensioen van mijn vader, zo ver weg dat je met geen mogelijkheid een straatnaam kunt onthouden, die sneeuwt onder witte stranden en en dramatische kliffen. De Nederlandse plaatsjes die we in mijn jeugd via het water bezochten, kan zij waarschijnlijk nog blind opnoemen, ik herinner me er geen enkele van.
De kans is groot dat ze nooit op de Amsterdamsestraatweg gaat komen, nooit met mij zucht over die tabakszaak waar ik die sigaretten kocht (“dat hoef ik niet te weten”, zou ze zeggen), nooit vol bewondering met me naar de muurschildering van het lekkende melkpak kijkt, zich nooit afvraagt wie toch die man is die de straat versiert met nikvanwiggen. Uiteindelijk zijn veel dingen in het leven een bezoek aan de Amsterdamsestraatweg: het komt er simpelweg niet van.
Kijk eens aan, ooit liep ‘ie wel van Utrecht naar Amsterdam:
Overigens is de ASW (sorry 3x) de afgelopen weken het toneel van een babyboom. Ik zie er een vrouw met een blote bolle buik, haar navelpiercing puilt uit, maar niet op een gore manier. Ik zie een vrouw die aan de telefoon hangt met een vriendin. “Oh, je krijgt zeker al een buikje?”, zegt ze, terwijl ze belt maakt ze een gebaar alsof ze een buik heeft. Degene aan de telefoon kan dat natuurlijk helemaal niet zien, wat het voor mij nog liever maakt.
Bij Rocycle, op een zijstraat van de ASW (sorry 4x) kom ik twee vrouwen tegen die elkaar de oren van het hoofd praten over hun ontluikende zwangerschap. Ze vergelijken borsten en buik, ja, midden op straat. Het is een interessant contrast want tot voor kort gingen de meeste verhalen die ik kende over de ASW (5!) over zuipen, op de stoep zitten wachten op een scharrel, zuipen, met een onmogelijke hoeveelheid mensen in een studentenhuis wonen, zuipen, met een kater wakker worden in het huis van je zwager en zuipen. En kijk daar: babyboom. Het is confirmation bias, net als die keer dat ik overal witte auto’s zag, omdat ik mijn hart had verloren aan iemand met een witte bak. Nu zie ik overal baby’s.
Maar goed, ik hoef niet terug, naar het tijdperk waar de stoepverhalen uitkomen, en dat kan trouwens ook niet en bovendien, het gaat erom wat je doet met wat je vangt in het leven. Soms is dat een kater en soms is dat een babyboom.
De coole vriendin had dat een irritante uitspraak gevonden.
Ze zou ‘m veel te enthousiast vinden.
Liefs,
Charlotte
PS: Klasgenoot Friesland, joh het spijt me enorm dat ik me altijd als zo’n enorme pik gedragen heb. Nu zie ik in dat ik niet zo cool had moeten doen. Ik ben trouwens geen heilige en had je waarschijnlijk nog even ergerniswekkend gevonden, maar misschien wel gezelliger tegen je gedaan.
Leestip: In een vloek en een zucht las ik vorig weekend De Wand van Marlen Haushofer uit. De Wand gaat over een naamloze vrouw die een weekend gaat logeren in het jachthuis van haar nicht. Na de eerste nacht beseft ze zich dat haar nicht en diens man niet terug zijn gekomen van een avondje uit in het dorp. Ze ontdekt dat er een enorme glazen wand tussen haar en de buitenwereld is komen te staan, vanaf dat moment moet ze samen met hond Luchs zien te overleven.
Als je het plot zo leest denk je dat je een soort mystery/thrillerverhaal gaat lezen, maar dat is De Wand nadrukkelijk niet. Het is een verslag van de overleving van de vrouw, vol wijze inzichten en twijfels, het is bijna onaangenaam beklemmend maar je kunt het ook niet wegleggen omdat het met zoveel urgentie en vaart is opgeschreven. Ik kon mijn leeshonger niet bedwingen en heb het verslonden, maar ik vermoed dat de thema’s in het boek pas op hun plek vallen bij een tweede leesbeurt. Een echte tip deze, stop ‘m in je tas voor de vakantie.
Luistertip: Geen schaamte, heb dit zeker 12 keer gedraaid tijdens het schrijven van deze Weekstart.
Leestip (2): De reportage van de Volkskrant over de bosbranden in Fontainebleau. Soms denk ik: de signalen dat we als mensen helemaal naar de tyftering gaan als we op deze manier blijven leven zijn overduidelijk, waarom lost dat de machtslust van degenen die er wat aan kunnen doen niet op? Ik weiger te geloven dat we gedoemd zijn om als mensen onszelf maar eindeloos te herhalen tot we onszelf totaal gesloopt hebben, ik blijf hoopvol, maar kan niet ontkennen dat de aanhoudende hitte mij niet per se vrolijk stemt. Het artikel.
Kijktip: Het is zomer dus ik kijk bijzonder weinig. Wat ik dit weekend wel deed was het eerste uur van How to lose a guy in 10 days kijken met L. en daaruit kon ik een paar dingen concluderen: hoe ongelofelijk dom dachten filmproducenten dat we waren begin 2000, met de intens dommige dialoog in deze film zou je nu nooit meer wegkomen (hoewel, mensen zijn ook fan van Off Campus en hoewel ik dat ook bingede blonk dat ook niet echt uit in killer lines), tenzij je het ziet voor wat het is: camp.
Ik bedoel kom op zeg, het karakter van Kate Hudson heet ANDY ANDERSON, dat verzin je toch niet. Wat ook hilarisch is, is dat Andy voor een vrouwentijdschrift werkt en daar dolgraag haar artikel met als titel: “How to bring peace to Tajikistan”, een detail waar L. en ik om gegild hebben van het lachen. Het deed me denken aan de fictieve Pismo Beach Disaster uit Clueless. Maar, ere wie ere toekomt: het plot staat als een huis en Matthew McConaughey en Kate Hudson hebben goede chemie. De rest is bijna niet te kijken omdat het zoveel plaatsvervangende schaamte oproept.
Moet je deze film dus terugkijken? Alleen als je het allemaal niet te serieus neemt, anders ga je er alleen maar hard van huilen (ook zo hysterisch: Kate Hudson die als enige van alle vrouwen de hele tijd hamburgers zit te eten terwijl iedereen om haar heen aan de salades zit, als dat geen archetype cool girl is weet ik het ook niet meer).
Eettip: Ik maakte dit weekend mijn favoriete tomatengalette. Daarvoor gebruik ik dit deeg van Alison Roman (je kunt er minder boter in doen, dan werkt het recept nog steeds en met een alternatief voor boter kan het ook).
Dat deeg rol je uit tot je een grote rechthoek hebt. Ik smeer het deeg in met een mengsel van mosterd, tomatenpuree (wel die uit een tube pakken) en gepofte knoflook (knoflook in alufolie met olijfolie wikkelen en in de oven gooien tot het zacht is). Hoeveel van dat mengsel? Weet ik veel, een paar eetlepels. Je moet de bodem niet te dik bedekken (het is geen chocopasta) maar ook zeker niet te dun (geen Hollandse zuinigheid). Daarna leg ik er tomaten en rode ui (met sjalotten werkt het ook) op, die bestrooi ik met sumak en zeezout. Tot slot doe je er ricotta salata overheen, als je daaraan kunt komen. Dat kun je ook skippen als je veganist bent.
De randen van de galette smeer je in met een geklopt eitje. Dat schuif je de oven in op ik denk 180 voor iets van 20-30 minuten. Galette klaar? Bestrooi ‘m met kappers en eet ‘m met een frisse groene salade (dressing maak je met mosterd, azijn, olijfolie en een uitje, liefst een sjalotje). Maak dit recept in de komende paar weken als de tomaten op hun lekkerst zijn voor optimaal resultaat.
Luistertip 2: Niemand neemt me nog serieus hierna maar inmiddels ben ik overgeschakeld op deze glijer en dat is ook een banger hoor, holy moly.
Isabel Heijne met haar essay over De Fergaliciousness der dingen. Echt mijn favoriet van deze week, zó origineel:
Subscribe je nog niet? Schrijf je gratis in via onderstaande knop. Stuur De Weekstart vooral door naar al je (kantoor)vrienden die elke maandag ook vliegend van start willen gaan. Of die een hart onder de riem (ik laat me vertellen dat mensen die nog dragen) kunnen gebruiken.
Oxfam Novib doet wereldwijd veel goed werk. Zo zorgen ze bijvoorbeeld voor noodhulp in Palestina of in Soedan. Op de website van Oxfam Novib vind je informatie over alle gebieden waar deze organisatie hulp verleent en over alle andere dingen waar deze organisatie zich voor inzet. Doneren is altijd een goed idee, al is het maar een paar euro. Alle kleine beetjes helpen.
Genoot je van deze Weekstart? Met een koffie maak je me altijd heel blij. Koop een kopje koffie voor me.
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.