Met dank aan Alice Tol van Praktijk Bamm (hoogbegaafdheidspecialist en systemisch coach) voor het meelezen en de waardevolle feedback.
Stel, je ziet de kenmerken van hoogbegaafdheid duidelijk terug in je jonge kind, maar toch mag je het geen hoogbegaafdheid noemen. Tot het kind zes jaar oud is, heet het in Nederland namelijk een ‘ontwikkelingsvoorsprong’.
Je proeft het misschien al: daar heb ik mijn vraagtekens bij.
De term ‘ontwikkelingsvoorsprong’ komt uit de ontwikkelingspsychologie en betekent dat een kind op één of meer gebieden duidelijk voorloopt in de ontwikkeling ten opzichte van leeftijdsgenoten. Deze term is men gaan gebruiken voor jonge kinderen met kenmerken van hoogbegaafdheid. Ze kunnen kenmerken hebben zoals snel leren, verbanden leggen, zelfstandig lezen en schrijven voordat ze 4 jaar zijn en (ongebruikelijke) emotionele diepgang.
In andere landen wordt vaker gesproken over ‘young gifted children’ of simpelweg ‘gifted’, ook op jonge leeftijd. Dat verschil in taalgebruik zegt iets over hoe we er in Nederland naar kijken: voorzichtig en wachtend op bevestiging van cognitieve testresultaten
Dus als je een jong kind hoogbegaafd noemt, word je op je vingers getikt.
De uitleg die je dan krijgt: “Jonge kinderen ontwikkelen zich vaak in sprongen en een voorsprong hoeft niet blijvend te zijn.” en “We kunnen het nog niet meten via een IQ-test”. Is dit genoeg reden om te kiezen voor de term ‘ontwikkelingsvoorsprong’ bij jonge kinderen?
Ontwikkeling verloopt inderdaad sprongsgewijs: jonge kinderen maken vaak tijdelijke versnellingen door. Niet elke voorsprong is blijvend, en dat is waarom de term ‘ontwikkelingsvoorsprong’ nuttig kan zijn als eerste observatie. Maar bij kinderen met kenmerken van hoogbegaafdheid zie je vaak al vroeg consistente patronen. En daarbij is hoogbegaafdheid meer dan een voorsprong.
Hoogbegaafdheid is meer dan een voorsprong
Als je spreekt over een voorsprong, suggereer je dat het gaat om het voorlopen op leeftijdsgenoten. Dus dat er een snellere ontwikkeling is. Maar in het geval van hoogbegaafdheid, gaat het niet alleen om een snellere ontwikkeling. Het zit in hoe je de wereld waarneemt, hoe informatie wordt verwerkt, welke betekenis je geeft en hoe je reageert op wat er gebeurt.
De sprong-redenatie gaat dus niet op, omdat de kenmerken van hoogbegaafdheid vaak blijvend zijn en hoogbegaafdheid meer is dan een voorsprong.
Maar, maar…
De voorstanders van de term ‘ontwikkelingsvoorsprong’ hebben nog meer beredeneringen in huis om ons te overtuigen:
“Het kan een voorsprong lijken doordat het kind een rijke thuisomgeving heeft, of doordat het kind bijvoorbeeld heel graag en veel puzzelt, bouwt, beweegt.”
Dat laatste kan ook juist zo zijn vanwege de hoogbegaafdheid. Een hoogbegaafd kind heeft een grote behoefte aan dit soort dingen. Is er geen rijke thuisomgeving, dan krijg je een verveeld, boos of verdrietig kind. Eigenlijk heb je als ouder geen andere keuze dan het bieden van een rijke omgeving. Daarbij is hoogbegaafdheid fundamenteel anders dan goed kunnen puzzelen of een rijke thuisomgeving. Zoals ik al beschreef, hebben hoogbegaafden niet alleen een hogere intelligentie, maar ze leren, doen, denken en ervaren de wereld op een andere manier dan niet-hoogbegaafden.“Door het onderscheid te maken, hebben we meer tijd om te kijken of de voorsprong al dan niet blijvend is.“
Als je weet waar je op moet letten, is de kans klein dat het kind later toch niet hoogbegaafd blijkt. Daarbij heeft het duidelijke nadelen wanneer je tot zes jaar terughoudend bent in het bieden van passende ondersteuning op basis van kennis over hoogbegaafdheid. Wanneer er geen rekening wordt gehouden met de hoogbegaafde manier waarop het kind denkt, waarneemt en betekenis geeft, gaat het zich aanpassen, inhouden of haakt af. Het kind voelt zich dan bovendien onbegrepen en krijgt niet de ondersteuning die het nodig heeft.
Bij een peuter of kleuter kan je nog niet goed vaststellen wat de cognitieve vaardigheden precies zijn. Sommige experts vinden daarom dat hoogbegaafdheid bij zeer jonge kinderen nog niet is vast te stellen. Dat is een misverstand. Hoogbegaafdheid is namelijk bij jonge kinderen al duidelijk door de hoogbegaafdheidskenmerken.
In Nederland hechten we erg aan een IQ-score van ten minste 130 als bevestiging van hoogbegaafdheid. Maar een IQ-test is pas officieel betrouwbaar vanaf zesjarige leeftijd. Dus als je vindt dat hoogbegaafdheid alleen te identificeren is via een IQ-test, kan dat pas vanaf die leeftijd. Dat zorgt voor een interessante situatie. We kunnen de cognitieve vaardigheden bij jonge kinderen nog niet goed meten, terwijl we ook weten:
dat kinderen niet ineens hoogbegaafd zijn vanaf het moment dat je het kunt meten
dat cognitief potentieel niet ineens ontstaat op zesjarige leeftijd
dat kenmerken die bij hoogbegaafdheid horen al op zeer jonge leeftijd zichtbaar zijn.
Een jong kind kan duidelijke kenmerken van hoogbegaafdheid laten zien, maar zolang dit nog niet is te meten met een intelligentietest, willen we het in Nederland nog geen hoogbegaafdheid noemen. Met andere woorden:
We zien het wel, maar we noemen het nog niet zo.
Een belangrijke toevoeging: de hoogbegaafdheid laat zich niet altijd zien via een test. De score van een IQ-test is afhankelijk van allerlei factoren. Zo moet bij een vermoeden van hoogbegaafdheid de test worden afgenomen door iemand met expertise in hoogbegaafdheid. Anders kan de score een stuk lager zijn dan waar het kind daadwerkelijk toe in staat is.
Je ziet ook bijvoorbeeld bij Cito-toetsen dat een deel van de hoogbegaafde leerlingen daar slechte resultaten laten zien. Hoogbegaafde kinderen bekijken een situatie of opdracht van allerlei verschillende kanten. De Cito-vragen zijn vaak multi-interpretabel. Daardoor is het mogelijk dat het hoogbegaafde kinderen geen idee heeft wat het gewenste antwoord kan zijn.
Een voorbeeld: Christopher krijgt een som met een plaatje van een man achter een loket met de tekst: ‘ZWEMFEEST €7,50 per kind.’ De vraag bij het plaatje: De man achter de kassa heeft in het totaal €1350,- ontvangen. Hoeveel kinderen zijn er op het zwemfeest geweest? Christopher geeft niet het antwoord dat de Cito-makers verwachtten, want voor Christopher is het super logisch dat kinderen niet zonder een volwassene naar het zwemfeest mogen en hij weet dat de kaartjes voor volwassenen altijd duurder zijn.
Vooral toetsvragen voor begrijpend lezen maken hoogbegaafde kinderen vaak 'minder goed' dan verwacht. Wat er dan vaak gebeurt: ze scannen de titel en de tekst. “Oh kikkers! Daar weet ik alles van,” en ze gebruiken die bestaande kennis om de vragen in te vullen. Het echt lezen van de tekst bij de opdracht wordt dan grotendeels overgeslagen, want dat lijkt nogal nutteloos als je het al weet. Maar als de tekst net een andere invalshoek heeft, zijn alle gegeven antwoorden dus ‘fout’. Het hoogbegaafde kind kán de vragen heel goed beantwoorden, maar dan moet de opdracht op een andere manier zijn ingezet.
Dat geldt ook voor andere onderdelen die getoetst worden. Hoogbegaafdheid is sowieso geen garantie tot goede prestaties op school, maar een leerling met matige of slechte cijfers kan nog steeds hoogbegaafd zijn.
Veel scholen vinden het niet erg dat we het bij jonge kinderen een ‘ontwikkelingsvoorsprong’ noemen. Om het maar even zo te zeggen: ze kunnen zich er mooi achter verschuilen. Als een leerling kenmerken van hoogbegaafdheid laat zien, hoeft school nog niet echt aan de slag om maatwerk te regelen, want ‘we weten het nog niet zeker’. Dat is geen kwade opzet, maar een gevolg van onvoldoende expertise en drukte in het onderwijs. Toch is het zo met hoogbegaafdheid: wanneer je accepteert dat het er is, ga je het ineens zien. En het is noodzakelijk dat je het ziet en erop inspeelt.
De hoogbegaafde leerling heeft maatwerk nodig, ook als die nog jong is. Tegen de tijd dat school er niet meer onderuit kan dat de leerling hoogbegaafd is, want 6 jaar, is er een grote kans dat het kind al is ondergedoken, is gaan onderpresteren, zich enorm aanpast of juist erg rebelleert. Wat zorgt voor allerlei negatieve gevolgen voor het kind, nu en later.
Lotte is een peuter met een ‘ontwikkelingsvoorsprong’, maar ze wordt toch gezien als een gemiddeld kind van 3 jaar. Lotte vraagt een leeftijdsgenootje om het turquoise blokje. Ze krijgt een rode driehoek. Lotte kijkt verbaasd en vraagt het nog eens, maar dan krijgt ze een groen blokje. Ze raakt gefrustreerd, want Lotte beseft zich niet dat het leeftijdsgenootje nog niet snapt wat een blokje is en al helemaal niet wat turquoise is. Door opeenvolgende teleurstellingen kan ze zich gaan terugtrekken, gefrustreerd raken, zich vervelen en aanpassen… En de groepsbegeleider interpreteert het gedrag van Lotte vervolgens als ‘zwakke sociale vaardigheden’. Terwijl het heel anders was verlopen als Lotte vanaf het begin was gezien als hoogbegaafd.
Als vaststaat dat een kind hoogbegaafd is, snap je als volwassene veel beter waar bepaald gedrag vandaan komt. Je stemt er als ouder en leerkracht of begeleider op af, interpreteert gedrag anders, biedt het kind passende input, meer diepgang, je legt het waarom van dingen meer uit, enzovoort.
Zo zou de begeleider van de groep waar Lotte in zit, eerder inzien dat Lotte heel aardig en geduldig was met haar vraag om het turquoise blokje (erkenning). Ze zou Lotte kunnen uitleggen waarom ze dat blokje tóch niet kreeg en dat geeft haar handvatten (toolkit). Zo voelt Lotte dat ze zichzelf kan zijn en is er ruimte voor haar eigen manier van zijn (te veel aanpassen voorkomen).
Erkenning geven
Hoogbegaafde kinderen willen, net als elk kind, gezien worden voor wie ze zijn. Als je er geen rekening mee houdt dat het kind hoogbegaafd is, kan deze onterecht worden ervaren als bijvoorbeeld lastig, eigenwijs, overgevoelig, dromerig of star. Terwijl dit soort gedrag bij hoogbegaafden vaak iets anders betekent dan je in eerste instantie zou denken.Toolkit uitbreiden
Hoogbegaafden verschillen van niet-hoogbegaafden in hun denken, voelen en manier van leren. Standaard oplossingen & ondersteuning werken soms juist niet bij hen. Ze hebben dan andere gereedschappen nodig.Een voorbeeld: Tom heeft een ontwikkelingsvoorsprong, maar daar doen ze op school nog niets mee, want ‘misschien is het maar een tijdelijke voorsprong’. Een paar klasgenootjes schoppen tijdens de pauze tegen een boom. Tom vindt dat heel erg, want dat doet de boom pijn en die kan erdoor kapot gaan. Tom voelt dat heel intens, gaat stampen op de grond en schreeuwt. De kleuterjuf vindt het gedrag van Tom niet oké en zegt dat hij de rest van de pauze maar binnen moet blijven. Omdat de juf niet bezig is met de factor hoogbegaafdheid, ondersteunt ze Tom niet met zijn intense gevoelens. Dat is schadelijk voor Tom.
Ook wordt er bij dit soort situaties vaak naar ouders gecommuniceerd: “Jullie kind is nog erg ‘jong’, loopt sociaal-emotioneel achter.” Dat is een misvatting, want het tegenovergestelde gebeurt. Doordat leeftijdsgenootjes niet zo ver zijn, is het het gedrag van Tom dat opvalt en interpreteert juf het verkeerd. Als de kleuterjuf begrijpt waar zijn gedrag vandaan komt en Tom wél zou ondersteunen in zijn intense gevoelens, zou ze hem daarmee helpen om ‘gereedschappen’ te verzamelen om anders te reageren op zo’n situatie. Maar in plaats daarvan behandelt ze hem zoals ze het met alle kinderen zou doen.
Nu voelt Tom nog meer onrechtvaardigheid en eenzaamheid. Bovendien kan hij nergens naartoe met zijn gevoelens.Aanpassen voorkomen
Veel hoogbegaafde kinderen hebben snel door wat er van hen verwacht wordt en passen zich daar razendsnel op aan. Daardoor laten ze soms minder zien van wat ze eigenlijk in huis hebben. Tot een bepaalde mate is dat prima, maar veel en lang aanpassen en afremmen kan tegen ze werken. Ze blijven onder hun niveau, raken minder betrokken, verveeld of gefrustreerd. Ook is hierdoor de kans kleiner dat hun hoogbegaafdheid op school wordt gezien en erkend.
Wat mij betreft wel. We kunnen beter gewoon spreken van hoogbegaafdheid, ook bij jonge kinderen. Die term vergroot namelijk de kans dat het kind passende ondersteuning krijgt.
Hoogbegaafdheid gaat niet alleen over hoe snel een kind zich ontwikkelt, maar het bepaalt ook hoe het kind de wereld waarneemt, betekenis geeft en reageert. Als je dat niet meeneemt, mis je wat er echt nodig is. Zolang we spreken over een ‘ontwikkelingsvoorsprong’, blijven we kijken vanuit het idee dat een kind simpelweg wat sneller is dan anderen. Als de hoogbegaafdheidskenmerken er zijn, noem het dan ook hoogbegaafdheid. Niet om een label te plakken, maar om recht te doen aan het kind.
Bronnen
www.ncj.nl/wp-content/uploads/media-import/docs/7127f214-5452-4713-9f6d-9d2625d1327d.pdf
www.heutinkvoorthuis.nl/nl/een-ontwikkelingsvoorsprong-wat-is-dat-eigenlijk/news/259
wij.nl/peuter-kleuter/groei-ontwikkeling/hoogbegaafdheid-bij-je-kind-herkennen/
tiponderwijs.nl/begrip/ontwikkelingsvoorsprong
expertgroepontwikkelingsvoorsprong.nl/wp-content/uploads/2025/01/14601_LBBOjanuari2025_30-33.pdf

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.