Ik wil het over de zon gaan hebben. Dat zal misschien wat vreemd voelen, zo midden in deze overwegend grijze en donkere winterdagen. En al helemaal gegeven het feit dat er zoveel speelt in de wereld, waarom dan nog bij zoiets alledaags als de zon stilstaan, die elke dag op voorspelbare tijdstippen opkomt en weer ondergaat? Is de zon onze aandacht überhaupt wel waard?
Want de zon, die hebben we toch al wel uitgevogeld? Ik zei dat ze iedere dag opkomt en weer ondergaat, maar dat is natuurlijk niet zo. De aarde beweegt zelf rondom de zon, dat weten we sinds Copernicus en Galileo. De aarde is deel van een constellatie van planeten en asteroïden die hun eigen baan rondom de zon voltrekken. We hebben die constellatie helemaal uitgestippeld, zo precies dat we zonsverduisteringen kunnen voorspellen en satellieten kunnen laten landen op kometen. Van de aarde weten we ook precies hoe lang de baan duurt die hij om de zon trekt, en we hebben schrikkeldagen en soms zelfs schrikkelseconden om onze klokken af te stellen op deze hemelse constellatie. De rekenkundige grip die we op ons zonnestelsel hebben, is duizelingwekkend.
‘Schrikkeldag’. Wat een merkwaardig woord eigenlijk. Wat is schrikkelen?
Het woord ‘schrikkelen’ staat in het woordenboek, en betekent ‘overslaan’. Maar dat woord is zelf juist afgeleid van het woord ‘schrikkeldag’. ‘Schrikkeldag’ blijkt een middeleeuwse samenstelling van ‘schrik’ en ‘dag’ te zijn, waar ‘schrikken’ destijds de betekenis had van ‘opspringen, een grote stap of sprong nemen’. Het Instituut voor de Nederlandse taal schrijft:
[I]n de middeleeuwen gebeurde het vaker dat samenstellingen werden verbonden met de betekenisloze lettergreep -el. Zoals bijvoorbeeld in werkeldag (‘werkdag’), rusteldag (‘rustdag’) en sitteldag (‘dag van de zitting’). Een paar van deze oude constructies gebruiken we nu nog steeds, waaronder vastelavond (‘vastenavond’), schortelwoensdag (‘de woensdag voor Pasen’) (Instituut voor de Nederlandse taal)
Een ‘schrikdag’ dus. Voor onze klokken en kalenders welteverstaan, die even terugspringen. Wijzelf springen er nog maar nauwelijks van op, onze kalenders hebben het systeem geïntegreerd, zonder dat we erbij na hoeven te denken, laat staan dat we ervan hoeven te schrikken. Dat zonnestelsel hebben we keurig uitgemeten, wij kunnen door met onze dagelijkse bezigheden, zonder dit soort ‘alledaagse’ constellaties op te hoeven merken.
Maar wat maakt eigenlijk dat wij haar niet opmerken? ‘Omdat ze in herhaling valt,’ zul je zeggen, ‘omdat we er gewoonweg op uitgekeken raken.’ Maar waarom raken we eigenlijk uitgekeken op iets dat zich blijft herhalen? Is dat omdat de herhaling oninteressant is, onze aandacht op den duur niet meer waard is? Of is het eerder een zwaktebod van ons dat wij de herhaling niet kunnen uithouden?
De Britse apologeet G.K. Chesterton, niet voor niets de Prince of Paradox genoemd, suggereert dit laatste. We zijn geneigd om iets wat zich herhaalt oninteressant te vinden, als de levenloze radertjes van een uurwerk, die mechanisch hun riedeltje afgaan, om daarna weer van voor af aan te beginnen. Maar in een prachtige passage van Orthodoxie draait Chesterton dit perspectief om: juist datgene wat zich steeds weer blijft herhalen getuigt van een onuitputtelijke levenskracht. Chesterton schrijft:
Wat ik bedoel te zeggen kan men bijvoorbeeld ook in kinderen waarnemen wanneer ze volledig opgaan in een spelletje of grapje. Een kind trapt ritmisch met zijn benen vanwege een overvloed aan leven en niet een afwezigheid daarvan. Omdat kinderen overlopen van vitaliteit, omdat ze een onbeteugelde en vrije geest hebben, willen ze dat de dingen zich onveranderd herhalen. Ze zeggen altijd ‘doe het nog een keer’; en de volwassene doet het nog een keer en nog een keer, tot hij er bijna dood bij neervalt. Want volwassenen zijn niet sterk genoeg om zich te verheugen in monotonie. Maar misschien is God wel sterk genoeg om zich te laten behagen door monotonie. Misschien zegt God ook wel elke ochtend ‘doe het nog een keer’ tegen de zon en ook elke avond tegen de maan. […] Misschien heeft Hij een oneindige hang naar de kindertijd; want we hebben gezondigd en zijn oud geworden, en onze vader is jonger dan wij. De herhaling in de natuur is misschien meer dan een toeval; het zou een theatraal encore kunnen zijn. (Orthodoxie, p. 75f)
Kunnen we deze gedachte toelaten? Is het mogelijk om onze desinteresse voor de zon niet te wijten aan de zon zelf die onze aandacht niet waard zou zijn, maar aan onszelf, aan het gegeven dat wij het kinderlijk danwel goddelijk vermogen ontberen ons te verheugen in monotonie?
Om deze gedachte wat ruimte te bieden, wil ik me richten op Nescio’s korte verhaal getiteld Titaantjes. Ook daar vormt de zon een belangrijk motief. Nescio verhaalt over een vijftal jonge vrienden van begin twintig, die allemaal moeten rondkomen van een baantje in de kantoren van hun bazen, de ‘gewichtige heeren’. Maar ’s avonds, na werktijd, zoeken ze elkaar geregeld op en zitten ze gemoedelijk aan zee. Nescio schrijft:
Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee, maakte, alweer, ik kon het niet helpen, ’t is God zelf die steeds in herhaling valt, maakte alweer een lange gouden streep op ’t water en scheen op onze gelaten. (Titaantjes, p. 61)
Ook Nescio’s titaantjes worden geconfronteerd met die zich steeds maar weer herhalende zonsondergang. Het inspireert ze om zich af te zetten tegen de gewichtige heeren (‘We zouden hun wel eens laten zien hoe ’t moest’). Op den duur kunnen ook zij dit echter niet uithouden. Dat ligt deels aan de omstandigheden: ze gaan meer werken, hebben geen tijd meer om elkaar op te zoeken en gedichtjes te schrijven. Maar het is niet enkel omdat ze geen tijd meer hebben. Het is die werkelijkheid zelf die ze niet meer uit kunnen houden:
Iedere dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonig was ’t geworden. Eentonig werd ’t opgaan van de zon en ’t ondergaan en ’t schijnen van de zon in ’t water en ’t schuiven der witte wolken. […] Wie kan z’n leven doorbrengen met te kijken naar al deze dingen die zich steeds herhalen, wie kan blijven verlangen naar niets? (Titaantjes, p. 67f)
Er is één uitzondering, namelijk de schilder Bavink. Die blijft die zon achterna gaan, blijft proberen hem te vangen op het doek. Hij ziet zijn schilderwerk als een gevecht met God. Maar, zoals Chesterton zou hebben voorspeld, ook hij moet het uiteindelijk tegen God afleggen. Op een avond, als de titaantjes aan het water opnieuw een zonsondergang zich hebben zien voltrekken, zegt Bavink:
’t Is net of zoo’n zee wat van me wil. Daarin is God ook. God roept. […] En dan moet Bavink schilderen. Dan moet God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink ‘God’. En zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is ’t een spelletje, die is oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar één dom hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje tegelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink ’m hebben wil. (Titaantjes, p. 64)
Jaren later treft de ik-figuur, Koekebakker genoemd, Bavink dronken aan op het station, bij weer een andere zonsondergang. Ze wandelen wat samen. Duidelijk is dat Bavink de strijd nog niet heeft opgegeven:
Begrijp jij wat die zon van me wil? Vier-en-dertig ondergaande zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch staat-i daar weer iederen avond. […] Doe ’m in een hoededoos, Koekebakker. In een hoededoos. Ik wil met vrede gelaten worden. Doe ’m in een hoededoos, in een ordinaire hoededoos. Hij verdient niet beter. (Titaantjes, p. 80f)
Bavink belandt uiteindelijk in een gesticht. Hij schildert niet meer, staart alleen maar wezenloos voor zich uit de zon in, tot hij pijn in zijn ogen krijgt.
Er lijkt dus sprake te zijn van een zekere tragiek: óf je raakt uitgekeken op die zon die elke dag maar weer over je heen trekt, zoals de meeste van de titaantjes overkomt, óf je probeert die herhaling te blijven uithouden, zoals Bavink, en wordt daar vervolgens krankzinnig van. Ik moet naast Bavink hierbij ook denken aan de provocerende dichter Johnny van Doorn, die zichzelf verliest wanneer hij dicht over de ‘vol met kwinkelerende vogels zijnde Natuur die goudgeel beschenen wordt door een magistrale stralende ZON.’
Of dit nu een act is van Johnny, die zich The Selfkicker noemt, of niet, het staat wel voor iets wezenlijks: iemand die elke dag in extase raakt van de zon die aan de hemel staat, zullen we wantrouwend toekijken. Zo iemand zouden we net als Bavink in een gesticht willen zetten.
Een nauwkeurige lezing van Nescio’s Titaantjes laat echter zien dat er een tussenweg mogelijk is. Deze wordt vertegenwoordigd door Koekebakker zelf: hij ziet alle gebeurtenissen weemoedig toe, hoe hij en zijn vrienden meer gaan werken, elkaar minder zien, hoe Bavink gek wordt, en hij schrijft het allemaal op. In zijn weemoed en herinnering houdt hij iets van een kier open naar die jeugdige wereld vol verlangen en verwondering, waarmee hij het niet vergeet, maar er ook niet aan ten onder gaat.
En dat lijkt de oplossing te zijn van het dilemma dat Chesterton ons biedt. We moeten het afleggen tegen de overlopende vitaliteit van de jeugd en van God, maar we hoeven er daarmee nog niet in het geheel afstand van te nemen. Als we ons ervoor open stellen, kunnen we op gezette momenten weer even overvallen worden door een besef als: ‘Wat merkwaardig eigenlijk, dat die zon weer is opgekomen.’ En de kunst is om met Koekebakker te beseffen dat we daar maar voor even in kunnen vertoeven. Dat we niet zoveel levenskracht hebben als die zon die steeds maar weer over ons heen trekt. We hebben zelfs maar een beperkte aandachtsspanne. We hebben maar ‘één dom hoofd en één domme rechterhand en [kunnen] maar aan één schilderijtje tegelijk werken.’ Koekebakker merkt dat op, en kan daar vervolgens in berusten. Kunnen wij dat ook?
Chesterton G.K., Orthodoxie (Uitgeverij De Blauwe Tijger, 2017).
Nescio, De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, Mene tekel, Vijfenveertigste druk, ed. Lieneke Frerichs (Nijgh & Van Ditmar, 2021).
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.