RSS Amplifier

André van Delft · Sep 1, 2025

Boombehoefte in de Achterhoek

0
Sign in to vote or save

André van Delft · André van Delft

De buurvrouw op de camping in Neede leerde me dat de Achterhoek een coulisselandschap kent. De alomaanwezige weilanden lopen niet direct in elkaar over, zoals bijvoorbeeld in Groningen, met een klein slootje of wat bloemen in de reen, maar worden gescheiden door bomenrijen, veelal eiken, die, als de coulissen op het toneel, om de weilanden heen lopen. Ze maken het landschap wat draaglijker dan het Groningse, zo merk ik als ik er doorheen fiets.

Wat is dat toch, die verlichting die bomen ons bieden? Ton Lemaire schrijft:

Ik ben een bosmens in het diepst van mijn gedachten; dit is dan eindelijk de plaats om het te bekennen! Als ik maar in de verte de zoom van een bos zie, begint mijn hart sneller te kloppen; ik hoef maar de geur van bomen en bosgrond te ruiken of mijn ademhaling wordt ruimer en mijn lijf alerter: ik voel me thuis.1

Een bosmens. Lemaire verwoordt een sentiment dat ik, misschien in mindere mate, kan herkennen. Het platteland dat Nederland tekent, van het Groene Hart tot aan Groningen, en wat zich ook hier tussen de coulissen door laat zien, heeft iets uitdagends. Een kunstmatig in leven gehouden monocultuur, die niet alleen vogelsoorten als de grutto of de leeuwerik, maar ook een bodemvariëteit aan planten, schimmels en insecten in het gedrang brengt – hoe kun je daar van houden? We krijgen dan ook snel de behoefte de wat meer bosrijke gebieden in de streek op te zoeken.

Ik zal met mijn boombehoefte tegenwoordig een gemeenplaats articuleren, maar dat is in onze Westerse geschiedenis niet altijd zo geweest. Marjolijn van Heemstra beschrijft het verhaal van haar voorvader Aarnoud van Heemstra, die begin vorige eeuw gouverneur van Suriname was. In zijn dagboeken valt te lezen dat Van Heemstra de Voltzberg opklom, het gigantische oerbos van Suriname overzag – en het omschreef als een ‘broccoliveld’. Een werkelijk uitzinnig bos teruggebracht tot een akker die geoogst kan worden – wat hij ook uitvoerig deed:

En Van Heemstra zag daar op die berg veel mogelijkheden. Dit overvolle, oeroude landschap moest wel vol bodemschatten zitten. Zijn gouverneurschap zou in het teken gaan staan van mijnbouw. Kort nadat hij op de Voltzberg stond, zou hij noordelijker in Suriname massaal bomen laten vellen. Hij zou wegen aanleggen waar ooit water kronkelde. De grond laten openbreken op zoek naar steenkool en de zeer gewilde grondstof bauxiet.2

Het is een wonderlijk gegeven dat het de een begint te duizelen bij de aanschouwing van zo’n immens bos, terwijl de ander zijn wingewest overziet. We kunnen allerlei culturele of historische redenen aanbrengen om hier een verklaring voor te geven, maar helemaal erachter komen, kunnen we niet. We zullen tegenwoordig beweren dat onze moderne affectieve houding ten aanzien van de natuur voortvloeit uit de wetenschappelijke inzichten over onze invloed op en afhankelijkheid van natuur en klimaat. Maar daarmee zien we over het hoofd dat de liefde voor de natuur in onze Westerse cultuur al in de negentiende eeuw weer opwakkerde, ver voor we de wetenschappelijke argumenten erbij hadden gevonden. Ton Lemaire markeert hiervoor het jaar 1861, als in Amerika het eerste natuurreservaat ter wereld wordt gesticht om de reusachtige sequoia’s in het westen te beschermen, mede mogelijk gemaakt door de de Amerikaanse romantici Thoureau, Emerson en Muir.3 Het zal voor gouverneur Heemstra moeilijk voorstelbaar zijn geweest dat een bos met zo’n gigantische houtopbrengst een beschermde status heeft.

Evert Musch, Stroomdal Drentse Aa, tussen Schipborg en Oudemolen (1946-1955)

Zo’n wenteling ten aanzien van de bossen blijkt zich echter ook in dat uitdagende Nederlandse platteland te kunnen voltrekken. We bezoeken in het Drentse Roden een tentoonstelling van de schilder Evert Musch, afkomstig uit dezelfde streek. Te lezen valt dat Musch een enorme liefde had voor het Drentse ‘oerlandschap’, dat hij veelvuldig schilderde. Onder andere zijn panorama Stroomdal Drentse Aa, tussen Schipborg en Oudemolen (1946–1955) is er te zien, dat hij schilderde als verzet tegen de geplande omlegging van de meanderende rivier.

Het is een prachtig panorama, maar die term ‘oerlandschap’ is opmerkelijk. De gigantische sequoia’s, duizenden jaren oud, als ‘oerbomen’ bestempelen, of het Surinaamse bos een ‘oerbos’ noemen, dat gaat er wel in, maar dat door ons zo bewerkte Drentse landschap een ‘oerlandschap’? Het is een ambiguïteit die breder aanwezig is in de afgelopen twee eeuwen: met de toenemende industrialisatie en groei van steden, komt het eveneens door ons zo bewerkte platteland onder druk te staan, waardoor men er des te meer naar begint te verlangen.

Want zelfs die boomloze Groningse weilanden kennen hun lofzangers. Ik moet denken aan Marjoleine de Vos, die in Je keek te ver ook een ode brengt aan haar woonstreek, het Noord-Groningse Zeerijp. ‘Natuur’, schrijft De Vos met spot, ‘is in Nederland gaan betekenen: een gebied met een hek erom en grote grazers erop.’4 Ze draait mijn perceptie op het Nederlandse landschap als het ware om: in wezen zijn juist deze omheinde plukjes bos waar we zo graag recreëren of gaan fietsen kunstmatig, en ligt de ware geschiedenis van het Nederlandse landschap in het weiland met zijn terpen, wierden, dijken en kronkelende wegen. Misschien is dat wel waarom Musch het Drentse platteland een ‘oerlandschap’ kan noemen.

Het kost mij moeite die gedachte toe te laten, maar wel merk ik hoe de scheidslijn tussen boom en weiland, tussen natuurlijk en aangelegd aan het vervagen is. Het Nederlandse landschap is voor de stedeling die ik ben alleen nog maar uitdagender geworden. Vrijwel heel het land, van het Achterhoekse platteland met zijn eiken coulissen tot aan de omheinde natuurgebieden, is product van de mens. Maar dat betekent blijkbaar nog niet dat je er niet aan verknocht kan raken.

1

Ton Lemaire, ‘Tussen wildernis en Arcadië’ in Alberdien Smit (red.), Over bomen gesproken (Ambo, 1985), p. 11.

2

Marjolein Heemstra, Wat is ruimte waard (De Correspondent, 2023), p. 14.

3

Ton Lemaire, Bomen en bossen: bondgenoten voor een leefbare aarde (Ambo/Anthos, 2023), p. 27.

4

Marjoleine de Vos, Je keek te ver: een wandeling, Terloops (Van Oorschot, 2020), p. 8.

No posts

Read the original on andrevandelft.substack.com

Comments

Nothing yet. Say the first thing.

    Sign in to join the conversation.