Nu roman nummer zes in de winkel ligt, wordt het tijd om na te denken over de volgende.
Dat kan in alle rust gebeuren; ik heb een mooie ‘four book deal’ bij mijn uitgever en ik heb er nu twee weggestreept, maar afspraken over wanneer ze nummer drie (voor mij nummer zeven) verwachten zijn nog niet gemaakt, natuurlijk. Eerst maar eens tot een idee komen en dat idee voorleggen.
Tot zo’n idee komen is een onvoorspelbaar iets — in ieder geval bij mij. Er zijn vast schrijvers die daar een vastomlijnd proces voor hebben, maar het gaat om Kunst met een grote K, potdorie, en Kunst laat zich niet dwingen!
Nou ja: ik denk dat die Kunst zich best wel een beetje laat porren, eigenlijk, als de kunstenaar in kwestie al een beetje ervaren is. Dat de die Kunst zich als een wat onrustig paard naar de wei kan laten leiden om daar voorzichtig wat rondjes te draven, alvorens de juiste tred te vinden en een licht galopje te proberen.
In drie van de zes boeken die ik heb geschreven voer ik twee vaste personages op, de broers Ron (Zanger Ronald uit Zanger Ronald zingt de blues) en Cor, en ik denk dat het wel mooi is geweest met die mannen. Wat Ron betreft heb ik mezelf een hoek ingeschreven, natuurlijk (het boek gaat deels over zijn naderende dood), dus er zit weinig anders op dan een nieuwe richting zoeken.
(Overigens, niet onbelangrijk: je kan Zanger Ronald zingt de blues lezen zonder de andere boeken over de broers gelezen te hebben. Het boek staat volledig op zichzelf; er is geen inlegvel nodig om te begrijpen in wat voor verhaal je stapt.)
Ik zat vorige week bij VPRO Boeken om met Lotje IJzermans te praten over Zanger Ronald zingt de blues, en dat interview is hier terug te kijken.
Met Ron en Cor wil ik ook wat van de ellende die die twee gasten altijd met zich meezeulen achter me laten. De lezer kan met enige regelmaat hard lachen om ZRZDB, denk ik, maar de worsteling van de broers met hun emoties komt uit het vaatje van voornoemde kunstenaar in kwestie. En ik vraag me af of het blijven tappen uit dat vaatje niet zorgt voor een constant stroompje van die ellende; een beetje zoals water door een slang blijft stromen als je eerst flink aan de slang hebt staan lurken.
Ik heb in de loop der jaren, zoals ik weer deed bij VPRO Boeken, aardig wat verteld over mijn verleden, en praten over ellende waar je mee worstelt is goed — ik raad iedereen een potje goeie therapie aan — maar ik ben eigenlijk wel een beetje klaar met dat worstelen. En dat zeg ik niet uit vermoeidheid, ik zeg het omdat ik vrij letterlijk wel klaar ben.
Ik had vorige week mijn presentatie. ZRZDB werd bij mijn gezellige uitgever in huis ten doop gehouden, het was leuk, er was lief volk, schrijvers en gewone mensen (ik stelde mijn Tilburgse vriend K. aan mijn Amsterdamse vriend C. voor met ‘dit is ook een gewoon mens’), er waren toespraakjes, er werd gezongen bij het karaoke-apparaat (ik heb niet één maar twee duetten gedaan met Gustaaf Peek), en na afloop spraken we nog af in een café waar een vriend achter de bar staat. Iedereen ging op eigen houtje, en ik stapte met schrijver/dichter Roelof ten Napel op de metro.
Met Roelof is het altijd goed praten over Zware Onderwerpen, en toen we weer bovengronds waren gekomen ging het over die ellende, de Grote Motor van de Kunstenaar. Hij had het over een essay van Louise Glück waarin ze schrijft over de angst van de kunstenaar de kunst kwijt te raken als de kunstenaar in therapie gaat.
We waren het erover eens dat therapie je als schrijver alleen maar beter kan maken, en ik denk dat ik ZRZDB niet had kunnen schrijven zonder alle inzichten die ik bij mijn sessies heb opgedaan.
Ik snap het als je als schrijver denkt (of voelt, waarschijnlijk is het meer een kwestie van voelen) dat je dat borrelende gevoel van boosheid nodig hebt om tot iets bijzonders te komen, maar een leven zonder boosheid én goeie boeken schrijven is echt mogelijk.
Dus Ron en Cor: het is mooi geweest, mannen.
Roelof heeft me dat stuk van Glück doorgestuurd, overigens — ik zal het lezen en wellicht schrijf ik er nog iets over.
Maar goed: als ik de ellende achter me laat, waar ga ik dan over schrijven?
Kijk: het zal nooit een boek worden dat geen ellende met zich meedraagt, want zonder een broeiende onderlaag geen Literatuur. Maar ik kan nu eens rustig onderzoeken wat andere mensen drijft.
Ik heb al jaren in mijn hoofd dat ik een soort Great American Novel wil schrijven — best grappig voor iemand wiens laatste boek 160 bladzijden telt. En wellicht gewoon niet haalbaar voor iemand die geprezen wordt om het kleine en compacte van zijn verhalen.
Ach; laat ik gewoon maar ergens beginnen.
Sowieso begint mijn schrijven altijd met een scène; ik heb iets in mijn hoofd, een locatie, een gesprek, een voorval, en dat wordt de eerste scène die ik schrijf, en uit die scène volgt de rest van het boek, waarbij die eerstgeschreven scène het boek soms niet eens haalt.
Zo’n scène dient zich vaak aan: iemand vertelt iets, ik krijg daar een beeld bij, en ik hebt mijn scène. Ik noteer dat soort ideeën vaker niet dan wel, omdat ik altijd denk dat ik dat wel onthou.
Laat ik het laatste beeld dat langskwam hier eens opschrijven: mijn vrouw had laatst pech met de auto, er kwam een sleepdienst die de auto op de parkeerplaats van een nabij gelegen McDonalds neerzette, mijn vrouw moest lid worden van de ANWB om hulp van de Wegenwacht te krijgen, maar de Wegenwacht kon pas die avond komen, dus haar vader was er die avond met haar naartoe gereden, en ze zaten daar koffie te drinken in die McDonalds — dat is een scène.
Misschien dat ik daar iets mee moet doen.

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.