Jean-Paul Sartre geloofde niet in God. Geloofde niet in ‘zin’ als in de zin van het leven en bewustzijn was al helemaal onzin. En als alles in essentie onzin is, hoe ga je daar dan mee om? Zit er stiekem toch een klein beetje zin in de onzin van het bestaan?
Dat is kort gezegd het filosofische denkraam van het existentialisme.
Nou maakte Sartre de denkfout dat bewustzijn hetzelfde zou zijn als het ‘ik’. Dus wie wij ten diepste zijn, nog voorbij de ziel, zette hij op één lijn met het ego. Ja, dat is natuurlijk vragen om (filosofische en existentiële) problemen. Wie je werkelijk bent wordt dus bepaald, niet door je binnenwereld, maar hoe je door de buitenwereld gezien wordt. In zijn toneelstuk Huis clos (Met gesloten deuren) uit 1943 wordt dit in één zin samengevat, namelijk in de bekende uitspraak: L’enfer, c’est les Autres (De hel, dat zijn de Anderen).
De mensen om je heen bepalen je identiteit, je ‘ik’, wie je bent, op basis van uiterlijke kenmerken. Er wordt, zonder dat je erom hebt gevraagd, een gesimplificeerde, bijna karikaturale persoonlijkheid van je gemaakt. En daar moet je continu op bedacht zijn. En dat betekent dat je altijd in gevecht bent met de buitenwereld, want als je keuzes gaat maken die volgens de Anderen niet bij hun beeld van jou passen, ontstaat er weerstand.
Dat is de hel; de constante tegenwerking van mensen die je accepteren zolang je voldoet aan het beeld dat ze van je hebben, maar o wee als je je wat meer vrijheid toeëigent en keuzes gaat maken die niet stroken met wie je, volgens de Anderen, zou moeten zijn.
Eigenlijk is dit puur een ego-strijd. En als je met jouw ego tegen andere ego’s wilt opboksen, dan is dat de realiteit en heeft Sartre gelijk dat het zo werkt. Waar hij ongelijk in had, is dat het altijd zo werkt. Hij ontkende dat er ook nog andere opties denkbaar zijn, zoals gewoon uit de ego-strijd stappen.
Met een kleine aanpassing kun je zijn uitspraak namelijk in het positieve omdraaien: Les Autres, c’est le divertissement (De Anderen, dat is het entertainment).
Je kunt andere mensen beschouwen als vervelende obstakels en daar een heleboel energie aan verspillen, maar je kunt ze ook zien als amusement. Als merkwaardige elementen in je leven waar je om kunt lachen. Loop maar eens een blokje om. Moet je kijken hoeveel paradijsvogels je tegenkomt. De humor ligt op straat.
De mensheid is één grote kleurrijke bende. Iedereen doet maar wat. Je kunt je daarover opwinden, of je kunt je laten vermaken. Als je met een glimlach de wereld inkijkt, is de lading er automatisch af. Wat zij van jou vinden, is irrelevant. Doet je niks. De identiteit die ze jou wellicht willen opplakken, blijft niet zitten. Dat is hún spelletje. Laat ze lekker hannesen met hun plaatjes, hokjes en definitietjes. Jijzelf (jouw ego) speelt niet meer mee. Wat zij proberen te doen is niet langer ongevraagde tegenwerking, maar grappig. Aandoenlijk, ook.
Het grote probleem van Sartre was dat hij de Anderen serieus nam. In zijn drang naar vrijheid zaten ze hem telkens in de weg. Maar echt vrij ben je pas als je de buitenwereld licht opvat. In je achterhoofd houden dat de Anderen slechts op je pad gezet worden als entertainment, helpt daarbij. Je zal zien dat alles opeens een stuk soepeler gaat. En als je écht vrij leeft, ga je beseffen dat het leven zin heeft en dat bewustzijn alles behalve onzin is.
Sartre zat, zoals dat bij filosofen wel vaker het geval is, veel te veel in zijn hoofd. De Anderen waarover hij sprak bevonden zich weliswaar buiten hem, maar waren tegelijkertijd projecties van zijn eigen denkwereld. Uiteindelijk creëert het mentale, het verstandelijke, het denken, de enige echte Hel.
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.