Een kleurrijke stoet trekt door de straten. Rood-geel-blauwe tentzeilen, houten panelen waaruit barren worden opgetrokken, het dwergenreuzenrad, de zweefmolen. Een frisse lentezon laat het hele boeltje extra vrolijk glimmen. Ook ik glim, als ik er langsfiets, joechei, hoezee, driewerf hoera voor de Aprilfeesten.
In aanloop naar Koningsdag verandert de Amsterdamse Nieuwmarkt zeven dagen in één grote feestelijke bende. Er is muziek, een kunstveiling en een schaakwedstrijd, er zijn buurtkinderen, artistieke types, een handvol verdwaalde toeristen, scholieren en studenten met smoezelige matjes (m/v) en hier en daar een heel bescheiden plukje yuppen. (Behalve als het regent. Dan blijven de yuppen thuis.)
Als tiener keek ik er vanaf februari al naar uit, en in april schrokte ik na iedere schooldag mijn avondeten naar binnen, om me in de grote blauwe spijkerjas van mijn vader naar de Nieuwmarkt te haasten.
Met zware rugzakken vol lauw supermarktbier – ons verdiende oppasgeld was voor een week lang koud tapbier van de bar nog niet toereikend – paradeerden we over het plein. We kletsten, dansten op livemuziek, we dronken, rookten, bietsten en keken om ons heen, op zoek naar leuke jongens.
Een stamcafé in de openlucht, midden in de binnenstad.
“Ga je daar nou nog steeds heen?” zegt een middelbare schoolvriendin als ik haar meevraag. “Dat is voor ons toch helemaal niet meer leuk?”
Fout. Dat is voor ons helemaal wél nog steeds leuk. Ik knoop een gestreepte sjaal van mijn vader om mijn hals en fiets fluitend naar de Nieuwmarkt.
Er is veel veranderd, maar veel ook niet: wonderbaarlijk genoeg is de toegang nog altijd gratis en is de sfeer er nog steeds eentje van jolige, jeugdige verliefdheid. Er komt allang niemand meer waar ik reikhalzend naar uitkijk, maar dat maakt niets uit, genoeg te zien: sjekkies rollende oude rockers, voormalig leeftijdsgenoten met op hun schouders kinderen die tot mijn schrik soms al van basisschoolleeftijd zijn, kennissen waarover ik twijfel of ik ze moet groeten, of ze mij wel herkennen. En mijn favoriete bespioneersubjecten: middelbare scholieren.
Nog steeds brengen zij hun eigen biertjes mee, in hippere tassen, dat wel, en roken doen ze ook nog, véél. Van sommigen druipt de onzekerheid af, van anderen vooral make-up – niet meer op de oranje manier uit mijn tijd, TikTok heeft deze generatie zichtbaar knapper afgeleverd.
Ik kan ze onbekommerd afluisteren, mijn leeftijdsgroep is zó oninteressant voor scholieren dat ik werkelijk onzichtbaar voor ze ben. Ze botsen tegen me op, proberen dwars door me heen te lopen, dartel en uitbundig, druk met zichzelf en met elkaar.
Tot een van hen op mijn schouder tikt.
“Mevrouw,” zegt een schattig blond meisje in een smoezelige bruinleren jas die zomaar eens van haar vader kan zijn. “Wilt u misschien sigaretten voor ons kopen?”
Ze houdt briefjes van tien en vijf omhoog, god, is dat wat die dingen kosten tegenwoordig, en ai – gewetensvraag.
Bier zou ik nog overwegen, maar sigaretten? Een tabakswinkel ligt buiten dit plein, best veelgevraagd eigenlijk, en hoe oud is dit kind, twaalf?
“Vijftien, mevrouw,” zegt ze als ik ernaar vraag.
Het blonde meisje gun ik net zoveel kattenkwaad en ontdekkingsplezier als ik op haar leeftijd had, hier op ditzelfde plein, maar liever ben ik niet medeplichtig. Uiteindelijk zeg ik nee. Aan de bar bestel ik rondjes bier voor mijn vrienden en voel me heel hypocriet.
Laat op de avond blijkt de streepsjaal van mijn vader kwijt. Koortsachtig zoekend zie ik het blonde meisje weer, rokend intussen, maar de sjaal van pappa vind ik niet meer terug.
Onderweg naar huis twijfel ik of ik om de verloren sjaal zal gaan huilen. Op zich wel lekker, even huilen op de fiets, maar ja – om een sjaal?
Ik passeer een groepje tienermeiden, schaterlachend plassend tussen geparkeerde auto’s. Eentje wiebelt op haar benen, gierend van de lach valt ze bijna in haar eigen plas.
Grijnzend fiets ik verder. De Aprilfeesten blijven heerlijk. Maar zó leuk wordt het niet meer.
TOT SLOT:
Vele avonden in april heb ik speurend op de Nieuwmarkt doorgebracht, op zoek naar jongens waarop ik een oogje had. Hier kon ik met ze geinen en flirten en zweven in de zweefmolen, en anders dan op een schoolfeest hoefde ik niet met ze te zoenen, want voor zoenen was ik nog een beetje bang. Soms waren de jongens in kwestie de hele week nergens te bekennen, maar erg teleurgesteld was ik meestal niet - volgend jaar beter, dacht ik dan, tieners hebben wat jongenszaken betreft nog geen enkele haast.
Geheel los van de Aprilfeesten ben ik op het moment verslaafd aan een duister liefdesliedje van Elvis Costello dat ik gezien de smachtende sferen wel toepasselijk vind. Je moet houden van Costello’s manier van zingen (mijn moeder en mijn vriend kunnen het niet aanhoren) maar als je het kunt waarderen kan het je kneiterhard raken. (Het wordt steeds mooier, zeker na 1,5 minuut.) Vooral die wisselende klemtoon van ‘I want YOU’ naar ‘I WANT you’ en die dissonant raggende gitaar tussendoor, aaah, wat een kunstwerk, je zou bijna verlangen naar een gebroken hart. Bíjna.
Tot op de Nieuwmarkt, en anders volgend jaar beter!

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.