‘What is coming? Much more fire, much more often, burning much more land’ – David Wallace-Wells, The Uninhabitable Earth (2019)
‘Hoi, er is rook te zien op de bergtop tegenover ons, aan jouw kant van de vallei’, appt een buurvrouw uit Wales ons woensdagmiddag om 13:40 uur. Ze woont er nog niet zo lang. ‘Is dit normaal?’ vraagt ze, ‘Moeten we dit ergens melden?’ Altijd goed om de autoriteiten in te lichten, app ik terug. Cris en ik zitten pulpo en Padrón-pepers te eten in de stad.
Een paar dagen eerder appte vriend Willem uit Nederland. ‘Hé Henk, ik lees veel over branden in Spanje. Maken jij en je vriendin het wel goed? Alles veilig daar?’ De branden zijn gelukkig ver hiervandaan, antwoordde ik.
Ook na het berichtje van de buurvrouw ben ik nog niet bezorgd. Dat verandert na een tweede berichtje, van vriend Anxo. Hij stuurt een video van een rookpluim. ‘Is dit niet bij jullie in de buurt?’ vraagt hij.
Ook een gemiste oproep van de Nederlandse buurman. ‘Grote brand?’ vraag ik hem. ‘Ja, vlak bij jou. Ik zie net een vliegtuig water gooien. Wind staat nog de andere kant op. Misschien dieren verplaatsen.’ Hij stuurt een foto:
We eten ons bord leeg, rekenen af en snellen ons naar de auto. Vriend en buurman Davíd belt, hij staat voor onze poort zegt hij en de voordeur staat open en hij heeft geroepen maar ziet ons niet. We zijn nog in de stad, zeg ik. Hij heeft zijn kinderen geëvacueerd, zegt hij, nu gaat hij zijn ezel verplaatsen.
Via de snelweg naar huis, de rookpluim aan de horizon. Het door de rook gefilterde zonlicht weerkaatst in de ruiten van de tegemoetkomende auto’s, een oranje licht als in Blade Runner 2049. We krijgen berichten van mensen die hulp aanbienden. Cris belt buren en een wijkagent voor informatie.
Vanaf de afrit van de snelweg hebben we goed zicht op de helling die in brand staat. Cris wil stoppen en kijken, ik rijd door, we hebben een kleine ruzie, ik rijd terug. Dikke rook en grote oranje vlammen tussen de licht ontvlambare eucalyptusbomen. Gele helikopters met tassen bluswater.
Thuis weten we niet wat te doen. We laden wat spullen in de auto: laptops, waterflessen, opladers, een zak chips. Cris verzamelt haar studieboeken acupunctuur, ik open de poortjes van de schrikdraad (‘elektrische herder’ in het Spaans, pastor eléctrico) die het veld in vieren deelt. De gasflessen uit de keuken draag ik naar de schuur. Ik zet de sproeier aan in de voortuin, alsof dat verschil zal maken, en open de poort zodat de honden eruit kunnen.
We verplaatsen de auto’s van de oprit naar de kant van de weg, mochten ze vlam vatten dan niet te dicht naast het huis. We zetten ze met de neus richting de ontsnappingsroute, een landweggetje omzoomd met eucalyptus.
Vanuit het houthok hebben we goed zicht op de rookpluim boven de heuvel. We gaan zitten en kijken naar de rookwolken, is mijn voorstel, totdat we vlammen zien en dan gaan we weg. Nee, zegt Cris, ik wil zo snel mogelijk weg. Ze stelt voor om met de paarden naar de andere kant van het dorp te lopen, maar als het vuur komt, zeg ik, dan ben je lopend niet veilig. De paarden kunnen zelf wegrennen, indien nodig.
We pakken nog wat spullen en gaan naar de auto, met het hondje Perry aan de lijn. In de gauwigheid heb ik de grote honden en de pups gevoerd en water gegeven. Het plan is om naar het huis van Davíd te gaan, Nico en Bruno zijn daar ook. Bij de auto besluiten we toch thuis te blijven en te kijken naar de rook, daar hebben we vanaf het huis van Davíd geen goed zicht op.
Wanneer een blushelikopter een tas water op het vuur gooit, stijgen er witte wolken op, zo stellen we vast. Witte wolken goed, bruine wolken slecht. De helikopters vliegen naar de zee en terug, scheren over de boomtoppen. Een rode helikopter vliegt rondjes om de brand, daar zal de commandant in zitten. Ik vraag me af of hij ons ziet, bij het houthok in de luie stoelen.
We zijn nu toeschouwers. Er komen olijven op tafel en ik trek een blikje bier open. Twee blusvliegtuigen sluiten zich aan bij de vloot en er rijden brandweerwagens over de weg voor het huis. In de verte horen we sirenes en het gepiep van achteruitrijdende vrachtwagens.
Davíd stuurt foto’s. Hij is op de heuvel wezen kijken, bij de brandhaard:
De wijkagent appt dat de brand zich niet uitbreidt. Even later komt Davíd aangereden met Nico en Bruno. We kijken samen naar de rook, reflecteren op de gebeurtenissen en geven commentaar op de bluswerkzaamheden. ‘Ik heb de ezel aangelijnd’, zegt Davíd, ‘de ezel naar buiten gebracht, toen wist ik niet wat ik moest doen dus heb ik de ezel weer terug naar het veld gebracht.’ Zo ook met zijn trekker: de weg op, daarna toch maar weer terug het erf op.
We hebben het gezellig, met een bosbrand op ongeveer een kilometer afstand. Er worden verhalen verteld over eerdere bosbranden. Nico zegt dat hij het dak van zijn huis heeft nagespoten. Men stelt vragen aan AI over hoe lang het duurt om de tank van een brandweerwagen te vullen. Anderhalf uur, zegt AI. Daarover ontstaat discussie. ‘Het hangt af van het aantal pompen en hun vermogen’, stelt Bruno.
We vertellen dat we net twee vegetariërs uit België op bezoek hebben gehad, dat we snijbieten hebben gegeten met aardappels en ei, en algauw gaat het over de beste bereidingswijze van snijbieten, met aardappels of met linzen, dan over het inmaken van sardientjes, men praat met passie en laat elkaar niet uitpraten, een typisch Galicisch borrelgesprek. Ik haal een chorizo uit de koelkast. ‘Vannacht gaan we barbecueën op de smeulende kolen’, grapt Davíd.
Na een tijdje vertrekken Davíd, Nico en Bruno naar de brandhaard om te vragen of ze kunnen helpen met blussen. ‘Het is goed om vrienden te hebben’, zegt Cris.
Zij voert de puppies, ik breng de kippen en varkens bladeren van de kolen uit de moestuin en ik sluit de poortjes van de schrikdraad weer. Het gevaar lijkt geweken.
Een half uur later zijn de vrienden terug. Er waren bulldozers bij de brandhaard die de omgeving zodanig hebben bewerkt dat het vuur zich niet kan uitbreiden, aldus het verslag.
’s Avonds doen we een barbecue in het huis van Davíd. ’s Nachts zien we de hemel rood nagloeien boven het bos dat is afgebrand. Door de vermoeidheid vallen we snel in slaap.
De volgende ochtend is de rook nog zichtbaar. Rond elf uur staat er een cameraploeg op de stoep. Ik lever in mijn beste Spaans kritiek op de slechte staat van onderhoud in het productiebos in onze gemeente en zeg dat de regels worden nageleefd noch gehandhaafd.
Die kritiek komt niet op het nieuws, alleen dat we bang zijn geweest dat het vuur richting het huis zou komen en dat de toestand heden morgen ‘veel beter’ was, ‘maar’… Na die maar wordt mijn deel afgekapt. Een buurman die aan het woord komt zegt dat het bos hier met de huidige droogte een bom is die elk moment kan ontploffen.
We zijn met de schrik vrijgekomen en gaan binnenkort bij de burgemeester informeren welke maatregelen hij neemt om meer bosbranden te voorkomen.
Bedankt voor het lezen van deze nieuwsbrief. Heb je je nog niet geabonneerd, dan kan dat via onderstaande knop.

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.