Ik zit deze ochtend in de zon, met koffie die langzaam afkoelt naast me. Het is stil op de camping. Alleen ergens het geritsel van bladeren, een vogel die even opvliegt, stemmen in de verte die meteen weer oplossen in de ochtend.
En ondertussen zijn er die gedachten. Aan een oorlog ver weg. En tegelijk ook dichtbij. Het komt hard binnen. Dichtbij mijn hart.
Misschien juist omdat alles hier zo open voelt.
Flarden van Hejira van Joni Mitchell dwalen door mijn hoofd. Haar album dat ontstond tijdens eindeloze ritten door Amerika, van de westkust naar de oostkust en weer terug. Travelling, travelling, travelling…
Dat gevoel herken ik ineens heel sterk. Na bijna een week onderweg te zijn, ontstaat er langzaam een soort losheid. Alsof het gewone leven achter je oplost in kilometers asfalt, kleine cafés, ochtendlicht en steeds andere uitzichten. Travelling in some vehicle. Sitting in some café.
Onderweg zijn als een staat van zijn.
Ik lees ondertussen in Vianne van Joanne Harris. Over vluchten voor wortelschieten. Over weggaan voordat ergens blijven teveel betekenis krijgt. Over het verlangen naar vrijheid, maar ook de prijs daarvan.
En misschien raakt dat daarom juist nu. Omdat deze streek iets in beweging zet. Niet groots of overweldigend, niet dat majestueuze van de Alpen waar je niet omheen kunt. Maar natuur met hoofdletters, zonder uitroeptekens.
Een landschap dat zich niet opdringt, maar zich langzaam ontvouwt. Waar achter iedere bocht weer iets anders wacht: een hanenkam van kalksteen, zwarte hellingen van mergel, een kloof, een rivierdal, bloeiende seringen langs een verlaten weg.
Alles lijkt hier voortdurend te veranderen, terwijl het tegelijk volkomen zichzelf blijft.
En ergens komen al die dingen samen in dit moment. Dat gevoel in mijn hart. Die muziek. Dat boek. Het onderweg zijn. De schoonheid van dit landschap. Het verdriet van een oorlog die nergens echt ver weg is.
En toch voelt het licht.
Alsof dit misschien de bestemming is waar je ongemerkt naar op zoek bent wanneer je vertrekt: niet een plek, maar een gevoel.
Dit is het leven. Nu. Geworteld in liefde. Vrij in liefde.
Voordat ik jullie meer vertel over hoe ik in deze ochtend terecht kwam, toen ik deze gedachten had, wil ik graag wat delen!
Ik ben superblij dat ik inmiddels 400 abonnees! Dank je wel!
Heel bijzonder om te bedenken dat zoveel verschillende mensen zo af en toe lezen wat ik te vertellen heb. Over vakantie, ontspanning, mindfulness, filosofie, etc. Ik ben er heel erg blij mee! Dus nogmaals: bedankt!
We volgen de 4e dag de loop van de rivier de Toulerenc. Allereest met een wandeling.
Bij Mollans-sur-Ouvèze slaan we de D40a op richting Veaux. Twee kilometer verderop parkeren we de camper langs de weg, want dichterbij de start van deze wandeling is eigenlijk geen plek meer.
Vanaf daar lopen we richting het viaduct dat over de Toulerenc ligt. Beneden stroomt het water helder tussen de kalkstenen rotsen door.
Hier heb je twee mogelijkheden: het hoge pad nemen langs de gorge, of simpelweg dóór de rivier lopen.
Dat laatste willen wij. Vandaar dat we korte broeken aan hebben, bergschoenen die nat mogen worden.
En zo dalen we af naar het water. Het is koud, maar niet onaangenaam. Eerder verfrissend.
We banjeren stroomopwaarts door het heldere water, soms over gladde kalkstenen, soms tussen kleine stroomversnellingen door.
Na anderhalve kilometer wordt het te diep. Tenminste, voor Fem. Die toch net iets kleiner is dan ik. Een maand later, met zomerse temperaturen en minder , zou dit waarschijnlijk geen probleem zijn geweest. En dan moet het hier ook totaal anders zijn: voller, levendiger, drukker. Nu hebben we de gorge grotendeels voor onszelf.
Ik krijg hier sterke Peak District-vibes. Kalksteen dat door water is uitgesleten tot prachtige kalkstromen en richels, waardoor het water super helder is. Alleen is de biotoop totaal anders. Mediterraner. Zachter ook.
De gorges du Toulerenc zijn overigens van twee kanten te benaderen. Van de andere kant, de kant van Saint-Léger-du-Ventoux, duurt het langer voordat het mooi wordt. De parkeergelegenheid is wel groter.
Wanneer we teruglopen naar de auto en de rivier weer verlaten, valt het opnieuw op hoe ongelooflijk lekker het hier ruikt. Een geur die me ergens aan Toscane doet denken, maar daar is alles zoeter. Hier zit iets kruidigs onder. Olijfbomen vermengd met Provençaalse kruiden. Meer notig bijna.
We vervolgen de D40 richting Montbrun-les-Bains. De weg loopt hier hoog boven het dal van de Toulerenc langs, waardoor het landschap zich breder opent.
Voor het eerst zien we goed de Mont Ventoux en de Col des Tempêtes. Het valt op hoezeer deze berg eigenlijk een langgerekte keten vormt in plaats van één losse piek.
Kleine bomen flankeren de weg. Overal staan bloemen in bloei: seringen, veldbloemen, lijsterbessen, kurkeikjes, olijfbomen. Wat deze streek zo bijzonder maakt, is dat de natuur niet alleen indrukwekkend is in de verte. Ook van dichtbij klopt alles. Zelfs de bermen lijken zorgvuldig gecomponeerd.
Net over het hoogste punt zetten we de camper stil voor een picknick. Voor ons strekt zich het dal uit, met daarachter de witte flank van de Mont Ventoux. Er zijn slechtere plekken denkbaar om te lunchen.
Even verderop ligt Brantes. Een vestingdorpje dat onmogelijk op een rots lijkt te balanceren. Zoals zoveel dorpen hier. Ooit waren die versterkingen noodzakelijk, juist hier in de oude grensgebieden waar rondtrekkende legers geregeld opdoken.
Weer terug in het dal vervolgen we de D40. De weg baant zich nu een weg door het dal van de de Toulerenc, dat hier opener wordt. Meer weiden en velden verschijnen langs de rivier, terwijl daarboven de heuvels kaler worden.
Lichtgrijs gesteente ligt open op de hellingen, alsof de aarde hier dunner is geworden. Toch blijft alles bijeen gehouden door wortels van olijfbomen, kurkeikjes en andere kleine bomen die zich vast lijken te klampen aan de rotsige bodem.
Dan maakt de Toulerenc ineens een bocht. En de weg volgt mee. De D40 is inmiddels overgegaan in de D72. En opeens ligt Montbrun-les-Bains voor ons.
Het dorp hangt als een panorama tegen de heuvel geplakt. Opgebouwd uit verschillende lagen, met bovenaan een ruïneus château, daaronder een oude belfort en een kerkje. Zo’n dorp waarvan je je direct afvraagt hoe mensen hier eeuwen geleden ooit alles omhoog hebben gekregen.
Dat wordt onze volgende stop.
Het dorp blijkt een wirwar van kleine straatjes, traptreden en steegjes te zijn. Helemaal naar boven klimmen is nog best een onderneming in de warme middagzon. We beginnen daarom rustig, via de Basse Rue. Misschien wel het mooiste straatje van het dorp.
Overal staan bloemen, bomen en planten tegen gevels aan. Opnieuw die prachtige Europese Judasboom, met zijn haast onnatuurlijk roze bloesem. En daarnaast Dalmatische irissen, lila van kleur, die perfect passen bij dit zachte Provençaalse licht.
De Basse Rue brengt ons via het kleine tunneltje van de Calade d’Église bij de Église de la Nativité. Een charmant kerkje, met fresco’s op de muren en een opvallend verguld altaarstuk dat bijna te rijk oogt voor zo’n klein dorp.
Via dezelfde calade lopen we verder omhoog richting de belfort, die helaas net in de steigers staat. Maar ook dit voelt weer typisch voor deze streek: klein van schaal, maar vol karakter.
Iets verderop ligt het Place du Grand Soleil. Vanaf hier kijken we uit over het dal en de heuvels rondom Montbrun.
Achter het pleintje slingeren kleine steegjes verder omhoog richting het kasteel. Dat zelf niet toegankelijk is, maar de wandeling ernaartoe laat opnieuw die typische charme van deze bergdorpen zien: smalle doorgangen, verweerde gevels, onverwachte doorkijkjes.
Via de Montée du Château dalen we weer af, om uiteindelijk via de Montée de la Sault opnieuw onder de belfort door te lopen richting benedenstad.
Terug bij de camper rijden we een stukje terug en slaan daarna de D359 op richting Aulan. Daarbij volgen we opnieuw de Toulerenc.
Verderop verandert het landschap opnieuw. De hellingen worden kaler, droger. Bijna woestijnachtig soms, alsof we ineens op de plateaus van de Grands Causses zijn beland. De vegetatie verschuift mee: meer naaldbomen, grijzere rotsen, hardere lijnen.
We rijden door de Gorges d’Aulan, waar de rotsen hoog boven de weg uitsteken en ergens een Mariabeeld over het dal lijkt te waken.
Daarna verschijnt Château d’Aulan. Al vier eeuwen in handen van dezelfde familie. Ik loop een klein rondje rondom het kasteel. Achter het kasteel lichten witte seringen op tegen de hellingen, alsof iemand met een kwast kleine witte vlekken in het landschap heeft gezet.
En overal duiken inmiddels lavendelvelden op. Nog groen. Nog zonder die beroemde paarse kleur. Maar juist dat maakt het interessant. Alsof het landschap nog in afwachting is van de zomer.
We draaien nu de D546 op. Richting Rochette-le-Buis. De naamgever van dit dorpje is even verderop ook de naamgever van weer een gorge. Gorges de la Rochette. Maar na alles wat we vandaag en gisteren hebben gezien, is dit net iets minder spectaculair.
Het dal van de Ouvèze
Na de Gorges neemt de D546 een draai. Het dal van de Ouvèze in. Waar dat gebeurt, ligt Saint-Auban sur l’Ouvèze net als Brantes hoog op een rots. Het lijkt goed onderhouden, maar wij stappen even niet uit. Wij willen nog naar Buis.
Daar komen we via nog zo’n leuk tunneltje en de Gorges d’Ubrieux. Hier zoeken mensen in de zomer verkoeling bij de strandjes langs de Ouvèze.
Zo bereiken we uiteindelijk weer Buis-les-Baronnies. Misschien wel het meest levendige plaatsje van de streek. De huizen zijn geschilderd in zachte Provençaalse kleuren. Geel, blauw, groen, oranje. Allemaal opgebouwd uit warm beige zandsteen.
We maken een leuk rondje via de Rue de la Conche, de Rue de la Commune waar we rechtdoor een klein steegje in lopen. Die ons via de kleine Rue Pouilleuse in de Grande Rue brengt.
Vanzelfsprekend zijn ook hier sommige straatjes wat vervallen. Maar Buis kan het goed dragen. Er is hier genoeg geld door het toerisme om het merendeel aantrekkelijk te maken. Buis heeft genoeg leven in zich om die rafelranden charmant te maken.
De Grande Rue brengt ons in op de Place du Marché met zijn arcades. Waarbij er ook over het plein zelf heen gelopen moet worden. Ook weer vanwege de kleurrijke huizen en de planten.
In de zomer moet het hier heel levendig zijn. En kan je hier vast ook lekker winkelen. Dat is nu toch wat beperkt. Niet alles is open of is op volle kracht.
De volgende ochtend wanneer ik de inleiding van deze nieuwsbrief schrijf, trekken we verder. Via kleine wegen klimmen we opnieuw de Baronnies in. Via de D72.
De Clue de Plaisans vormt een eerste vernauwing in het landschap. Die we via de D526 bereiken. Mooi, maar bescheidener dan wat we inmiddels gewend zijn geraakt.
Daarna volgt, terug op de D72, de Col de Fontaube, waar we nog één keer achterom kijken naar de hanenkammen van de Baronnies Provençales.
En dan opent zich opnieuw het zicht op de Mont Ventoux.
Vanuit deze hoek zien we pas goed dat het geen losse berg is, maar een langgerekte keten die uitloopt in de Col des Tempêtes.
Vanaf Montbrun rijden we richting Sault. Het hart van de lavendelteelt. En ook de overgang van de Drôme naar de Provence.
Hoewel de paarse bloei nog moet beginnen, zie je overal de strakke lijnen van de velden al in het landschap liggen.
Bij Sault kiezen we de route touristique door de Gorges de la Nesque. Aan het begin daarvan stoppen we eerst voor de lunch.
Na de lunch rijden we de gorge echt in. Eerst lijkt het nog mee te vallen. Een mooie kloof, zeker. Maar dan opent het landschap zich plotseling volledig.
De Nesque heeft hier een gigantische canyon uitgesleten. Door de bochten van de rivier kijken we steeds dieper de kloof in, terwijl nieuwe rotsformaties, kloven en heuvels zich achter elkaar ontvouwen.
Het heeft iets van de Grand Canyon. Niet letterlijk natuurlijk. Wel datzelfde gevoel van schaal en enorme diepte. Van een landschap dat te groot is om in één blik te begrijpen.
Bij Belvédère Le Castelleras stappen we uit.
Hier zie je pas echt hoe absurd dit landschap is. Op ooghoogte zijn nog steeds de sporen zichtbaar van het water dat hier miljoenen jaren geleden stroomde. Alleen bevinden die sporen zich nu honderden meters bóven de rivier.
Aan de overkant ligt de Mont Ventoux. Van deze kant oogt hij veel lichter, bijna witgrijs, alsof hij uit hetzelfde gesteente bestaat als de canyon zelf.
Boven ons cirkelen aasgieren op de thermiek. En ergens nog hoger een steenarend.
We blijven hier lang staan. Sommige landschappen laten zich niet snel consumeren.
De weg vervolgt zich spectaculair langs de rand van de gorge, soms dwars door de rotsen heen. Met de camper moeten we geregeld het midden houden om niet langs de zijkanten te schuren. Daarna wordt het landschap geleidelijk milder.
Wij pakken in Villes-sur-Auzon de D1 om nu over de heuvels die de Nesque heeft gemaakt terug naar Sault te rijden. Dat gaat lekker snel. En is hier en daar ook zeker prachtig.
Een paar kilometer voor Sault kunnen we over het dorpje en de vallei uitkijken. Wanneer de lavendel bloeit is dit een prachtig uitzichtpunt om dit te zien!
Sault is een typisch dorpje wat we hier zoveel tegenkomen. Hoewel het duidelijk meer een centrum is. En meer toeristisch ook.
Vanzelfsprekend vanwege het uitzicht vanuit dit op een heuvel gelegen dorpje op de lavendelvelden. Wat moet het hier in het hoogseizoen druk zijn! De weggetjes zijn zooo smal…
Het heeft een paar leuke winkeltjes met mooie, fotogenieke provençaalse huizen. En het Place du Marché is een gezellig pleintje met door platanen overdekte terrassen.
Tenslotte is er vanaf het Place Porte de Provence ook een mooi uitzicht over de lavendelvelden in de vallei. Daar zit ook een restaurant met een mooi terras. Waar we even lekker wat drinken. Hier, tussen de lavendelvelden en de heuvels, voelt alles ineens zachter.
Later rijden we door de Monts de Vaucluse richting de Luberon. Via de D943. Die ons nogmaals door bochtige kloven brengt. De begroeiing verandert subtiel. Minder afwisseling, meer gesloten groen.
Wanneer we de Combe de Sigalière naderen, verschijnt aan de horizon de Montagne du Luberon. Niet als abrupte overgang, maar als een langzaam verschuivend decor.
We overnachten vlakbij Apt, op een grotere camping dan we tot nu toe gewend waren. Camping du Luberon. Meer mensen, meer stemmen, meer beweging. Maar nog steeds die zachte avondlucht.
En de volgende dag rijden we naar Roussillon. Al van een afstand lijkt het dorp op te lichten. De huizen zijn gebouwd met oker uit de bodem zelf, waardoor alles kleurt in rood, oranje en warm geel. Alsof het dorp uit het landschap omhoog is gekomen.
Parkeren gaat heel goed op de parkeerplaats bij de start van het Sentier des Ocres. Ook voor buscampers. Andere campers kunnen daar niet terecht. Buiten het dorpje zelf is er veel parkeergelegenheid. Dat is qua wandeling ook te doen. Mits het niet te warm is…
Natuurlijk is het hier toeristisch. Winkeltjes vol zeep, keramiek en andere Provençaalse prullaria wisselen elkaar af. Soms charmant, soms iets teveel van het goede. Maar Roussillon kan het hebben.
Vanaf de belvédère die hoog boven het dorpje ligt, kijken we uit over de omgeving. Overal zien we plukjes rode steen.
En later lunchen we bij Restaurant David, op een overdekt balkon met uitzicht op de rode rotsen rondom het dorp. Door de warme lucht scheren bontgekleurde bijeneters heen en weer. Op zoek naar hun lunch.
Het restaurant zelf is wat steriel misschien. Kleinere porties, wat chiquer dan nodig voelt. Maar dat uitzicht maakt alles goed.
Daarna lopen we het Sentier des Ocres. En ineens voelt het alsof we niet meer in Frankrijk zijn, maar ergens in Zion, Bryce Canyon of langs de Jurassic Coast lopen. Rode wanden, grillige vormen, diepe kleuren die voortdurend veranderen met het licht.
Het bijzondere is dat dit landschap eigenlijk uit zee ontstaan is. Meer dan honderd miljoen jaar geleden lag hier een ondiepe zee waarin groen zand vol ijzerrijke mineralen werd afgezet.
Toen het water verdween en het klimaat tropisch warm werd, spoelden regen en erosie alles langzaam uit elkaar. Wat achterbleef waren ijzeroxiden: gele goethiet, rode hematiet. De pigmenten die dit landschap zijn bijna onwerkelijke kleuren geven.
Zelfs de vegetatie verandert hierdoor. Robinia’s met witte bloesem, steeneiken en andere soorten die juist op deze okerbodem goed gedijen.
De wandeling zelf is kort, schaduwrijk en verrassend speels. Overal mag geklauterd worden. Kinderen vinden het geweldig.
Af en toe opent het bos zich en kijken we opnieuw uit over de omgeving. En steeds weer duikt daar de Mont Ventoux op, dominant aanwezig boven alles.
Alsof die berg ons deze hele reis al ongemerkt begeleidt.
De volgende keer meer over het laatste stuk van deze heerlijke vakantie in de Drôme en de Provence. Wanneer we weer terugrijden vanuit de Provence naar de Drôme. Met als hoogtepunten andere mooie dorpjes in de Provence, het Forêt des Cèdres, Abbaye de Senanque en de Dentelles de Montmirails.
In de tussentijd ga ik ook de slag met blogs op mijn site over het Peak District. Dus wanneer je liever over Engeland leest, kom je ook zeker aan je trekken!
Veel leesplezier! En wellicht ook al wat voorbereidingsplezier op de zomervakantie? Wie weet! Ik hoop het voor jou en jullie!

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.