The French Dispatch
Ik lag ‘s avonds languit op de bank een beetje te scrollen op mijn telefoon toen ik plotseling een mogelijkheid kreeg gepresenteerd: Wes Anderson was in de buurt, op slechts een paar honderd meter van mijn huis. In Eye zou hij namelijk samen met Tilda Swinton een inleiding geven bij zijn film The French Dispatch.
Eigenlijk ga ik er bij dit soort evenementen automatisch vanuit dat ik achter het net vis. Ik plan nooit vooruit, ze zijn vaak al uitverkocht voordat ik weet dat ze gaan plaatsvinden. Bij alle evenementen rondom Tilda Swintons expositie in Eye was dat ook zo, haar tweegesprekken met Apichatpung Weeresethakul, Pedro Almodovar, Joanna Hogg en Wes Anderson gingen allemaal aan mijn neus voorbij, maar voor deze korte inleiding waren nog volop kaarten. Dat kunnen twee dingen zijn: slechte communicatie van Eye, of een bewuste gunst aan mensen zoals ik.
Het was grappig om naar Wes Anderson te kijken terwijl ik een uur eerder nog niet eens wist dat hij of ik daar zou zijn, daardoor voelde het toch alsof ik hem toevallig tegen het lijf was gelopen in een supermarkt of zo, in plaats van in een filmzaal waarvoor ik een kaartje had gekocht. Hij was ook anders dan ik had verwacht. Op basis van zijn films zou het net zo goed een heel precieze, zeikerige vent kunnen zijn, met een heel sterke mening over hoe lang broekspijpen horen te zijn. Maar in die zaal was hij vrolijk en grappig, zijn bewegingen hadden zelfs iets ongecontroleerds, hij fladderde een beetje met zijn handen.
Misschien was hij gewoon melig omdat hij even daarvoor ook al twee uur met Tilda Swinton gepraat had (in het gesprek dat dus wel was uitverkocht voordat ik wist dat het bestond), maar het nam me toch voor hem in. De film die volgde vond ik meteen veel leuker dan vijf jaar geleden toen die uitkwam, met name het hoofdstuk met Benicio del Toro. Het was me opeens weer overduidelijk: dit is een filmmaker met plezier.
3 Zile In Septembrie
Het idee van de Volkskrantdag op het IFFR grenst aan de waanzin: aan het eind van het festival kan je daar 5 geselecteerde films op 1 dag bekijken. Wie wil nou zoiets? Op mijn verjaardag, een paar maanden geleden, maakte mijn schoonmoeder een goede inschatting: ik.
Ze had twee kaartjes gekocht zodat ik met mijn vriendin (haar dochter, snap je) zou kunnen gaan, maar die kon die ochtend niet, dus zat ik uiteindelijk met mijn schoonmoeder zelf om half tien ‘s ochtends in Theater Rotterdam, voor een Roemeense New Wave-film. Het was passend om juist deze eerste film met haar te zien. Voorafgaand vertelde ze namelijk dat ze jarenlang met haar vrienden deze dag bezocht, waardoor het voelde alsof ik werd geïnitieerd in een persoonlijke traditie.
De film zelf gaat over een bruid die een uur voor haar bruiloft te horen krijgt dat haar aanstaande echtgenoot een andere vrouw heeft bezwangerd. De daaropvolgende ruzie laait steeds feller op, totdat de bruid woedend haar eigen bruiloft verlaat. De camera loopt met haar mee, en het was op dat moment dat ik doorkreeg dat de film bestond uit één take, een vorm die nu vooral met de serie Adolescence wordt geassocieerd, maar die mij tijdens de nachtelijke dwaaltocht opeens weer deed denken aan Victoria, de Duitse arthousehit uit 2015.
Zo’n vorm legt een grote claim op de waarachtigheid van de film: geen edits, de tijd die hier verstrijkt is de echte tijd. Maar daardoor valt ook al het neppe eerder op, in dit geval de paar scènes waarin het fysiek wordt. Wordt die bruidegom nou het zwembad ingeduwd of springt hij gewoon? En waarom rolt hij na een kleine schermutseling al hulpeloos van een heuvel? Hoe knap het ook is om überhaupt een hele film op deze manier op te nemen, en hoe magisch het ook is als het op exact het juiste moment gaat stormen of bliksemen, toch bleef ik me afvragen of deze film deze vorm wel nodig had. Victoria was een thriller over hoe snel spontaniteit kan omslaan in gevaar, maar de kracht van deze film lag in de comedy en satire, waar die hele waarachtigheid mij eigenlijk niet zo interesseerde.
Of zoals mijn schoonmoeder het zei: een prima film om de dag mee te beginnen.
I Swear
I Swear is in essentie een lange bewustwordingsreclame voor het syndroom van Gilles de la Tourette. Het is de volledige film duidelijk welke emoties en gedachten je als kijker hoort te hebben, maar het is daarin wel effectief. Ik stoorde me aan het platgeslagen levensverhaal van het personage John Davidson, hoe al zijn tegenslagen enkel leken te bestaan zodat ik hem een grotere held zou gaan vinden, maar tegelijkertijd had ik onafgebroken een brok in mijn keel.
Wat helpt is dat het verhaal waargebeurd is, en dat John Davidson daadwerkelijk een bewonderenswaardig figuur is die veel heeft betekend voor de bewustwording over het syndroom. Hoe hard die bewustwording nog steeds nodig is werd vorige week nog duidelijk tijdens de uitreiking van de BAFTA’s, waar Davidson door het succes van deze film aanwezig was, en waar hij toen Michael B. Jordan en Delroy Lindo op het podium stonden het n-woord door de zaal riep, onvrijwillig natuurlijk. Het is een huiveringwekkend, treurig moment, maar de film laat deze specifieke pijn nu juist goed zien, net als hoe ermee om te gaan.
Dat Robert Aramayo bij diezelfde awardshow een prijs kreeg voor zijn vertolking van John Davidson suggereert dat er wel degelijk begrip is. Al had wat mij betreft de prijs naar Scott Ellis Watson moeten gaan, die de jonge John speelt. Het zijn voornamelijk zijn scènes, waarin een 12-jarige jongen geen idee heeft wat er in zijn hersenen gebeurt, die ik niet gauw zal vergeten.
No Hit Wonder
Het begon vol belofte: een Duitse popster ging in een montage van een paar minuten van gevulde stadions naar een triest optreden op de meubelboulevard. Toen hij vervolgens thuis een fles drank leegdronk, zijn gouden plaat op de platenspeler legde en zichzelf met een pistool door zijn hoofd schoot, dacht ik dat we naar een duister verhaal over roem zouden gaan kijken. Maar kort daarna ging het al mis, de zelfmoordpoging bleek mislukt.
Na afloop was het me helemaal onduidelijk hoe deze film door de selectie van het IFFR kwam, en wat de Volkskrant had bezield om deze speciaal te selecteren. Het was een soort reclame die zelf niet precies leek te weten wat het adverteerde. Er waren teveel personages die amper werden samengehouden door een onduidelijk verhaal, en een overkoepelend thema dat iets leek te zeggen als: muziek heelt alle wonden. Een onverdiend statement als je die pijn amper serieus hebt genomen.
Het was ongemerkt middag geworden. We zagen deze film in Cinerama, waar we voorafgaand een bak popcorn hadden gekocht die veel groter was dan we verwachtten. We hadden gevraagd om een mengeling van zoet en zout, maar hoe veel zoute popcorn ik ook naar binnen propte, het zoet kwam niet. Jammer, maar ook wel weer passend.
L’étranger
In de hal van de Rotterdamse bioscoop Kino werden we begroet door een manshoge kartonnen Marty Supreme, maar we kwamen voor een andere dubieuze adolescent: Meursault. Camu’s De Vreemdeling uit 1942 is verfilmd door François Ozon. ‘Ah! Ozon!’ riep een oudere vrouw op de stoel voor ons net iets te hard toen zijn naam in beeld kwam. Ik moest denken aan een scène die ik jaren geleden in Rialto zag, waarin een man bewusteloos geslagen werd met het boek Voyage au bout de la nuit. ‘Ah! Celine!’ riep eenzelfde soort vrouw toen. Dat was trouwens Dans la maison, ook van François Ozon. Zal wel toeval wezen.
Van alle films deze dag praatten mijn vriendin en ik verreweg het langst na over L’étranger, wat denk ik komt doordat deze film het als enige aandurfde vragen onbeantwoord te laten. We aten een warme kom ramen op de West Kruiskade en vroegen ons onder meer de volgende dingen af: Waarom schiet Meursault die arabier dood? Waarom schrijft Camus daarover? Waarom verfilmt Ozon het nu? In contrast met deze film gingen de twee voorgaande films me pas echt tegenstaan. Het leken plotseling manipulatieve reclames die ons vlug een idee wilden aansmeren, terwijl deze film ons liet napraten over de absurditeit van het bestaan, zo lang dat we de vijfde film van de Volkskrantdag zouden missen.
Toch is er ook altijd iets lastigs aan boekverfilmingen als deze. Waar je in het boek de innerlijke monoloog of de stem van de verteller leest, daar zit je in de film toch vooral te kijken naar een zwijgende Meursault, parels zweet op zijn voorhoofd terwijl hij zwoel uit het raam loert en zijn duizendste peuk opsteekt. Het zwart-wit waarin de film geschoten is is bijzonder stijlvol, maar soms leek het haast een parfumreclame. Eau de Camus? Eau de Ozon? Waar zou dat naar ruiken? Naar peuken natuurlijk. Of naar niets.
Marty Supreme
Ik heb mijn leven te danken aan pingpong, mijn ouders hebben elkaar namelijk leren kennen bij een tafeltennisvereniging, zonder die sport was ik er nooit geweest. En daarom ben ik geboren voor Marty Supreme, een film die over tafeltennis gaat, maar ook over een geboorte.
In tegenstelling tot die Meursault laten de drijfveren van Marty zich eenvoudiger raden, vooral omdat hij ze zelf voortdurend hardop uitspreekt: ik wil de beste tafeltennisser worden, ik ga iedereen verslaan, ik heb een doel in het leven en dat is een groot nadeel voor mij. Hoe meer je hiervan hoort, hoe duidelijker het wordt dat de film vooral gaat over de performance, de bravoure van een jonge man die alvast acteert de grootste te zijn terwijl hij dat nog niet is. Als millennialman in het vagevuur tussen jongen en man voelde voelde dat heel echt. Het is aanstekelijk, maar ook een beetje zielig. Als je jong bent is het makkelijk dromen van een grootse toekomst, maar die toekomst komt rap dichterbij.
Iets daaraan raakte me, ik denk omdat Timothée Chalamet gedeeltelijk samenvalt met zijn rol. In de films is hij voor onze ogen opgegroeid. Eerder deze nieuwsbrief nog, in The French Dispatch, speelde hij een student die het aanlegde met de oudere Frances McDormand. Niet naar me kijken, riep hij naakt in de badkamer, mijn spieren zijn nog niet volledig ontwikkeld! Als zijn naam in beeld komt in de openingstitels van Marty Supreme zien we op de achtergrond een spermacel zwemmen. Dit is ‘m dan, Timothee, hij wil de eerste bij het eitje zijn. Inmiddels voelen we dat hij weleens een hele grote zou kunnen worden, maar zien we hem ook steeds harder roepen dat hij een Oscar wil winnen. Ook hij heeft die bevestiging nodig, zodat hij niet langer de grootste hoeft te spelen, en die eindelijk gewoon kan zijn.
Veel mensen zien dat terug in de laatste scène waarin Marty voor het eerst de baby ziet die wel of niet de zijne is: nu wordt hij vader, nu is hij een man. Maar ik zag er wat anders in, al is dat misschien helemaal niet de bedoeling: Marty huilt, de baby niet. De baby kijkt hem aan met een hilarische verbaasde blik, terwijl bij Marty de tranen over zijn wangen biggelen. De rollen waren omgekeerd, dacht ik, wie is hier de echte baby?
In de podcast Echt iets voor jou praat ik met co-host Ko verder over deze film, bijvoorbeeld over de vergelijking met de film van de andere Safdie-broer: The Smashing Machine.
Sirât
Vroeger, als ik een weekend naar een festival was geweest, kon ik me altijd erg storen aan de mensen die op maandagochtend, als iedereen zijn tent oprolde en weer vertrok, nog steeds wilden doorfeesten. Sowieso was zo’n weekend al een grote test voor mijn humeur, naarmate mijn vermoeidheid toenam, groeide mijn afkeer van de mensen. Maar specifiek die groep vond ik het allerergste. Mijn vriend Bowi moest eens erg lachen toen hij zag hoe diep ik van die mensen moest zuchten. Die mensen weten gewoon niet wanneer het klaar is, klaagde ik tegen hem. De film Sirat stelt de vraag: wat als je met die mensen samen op zoek moet naar je dochter die al vijf maanden vermist is?
Het lijkt mij de absolute hel, en daarom kon ik me goed identificeren met hoofdpersoon Luis. In de Marokkaanse woestijn volgt hij met enige tegenzin een groep ravers, in de hoop dat zij hem naar zijn dochter zullen brengen, maar de ernst van de zaak lijkt amper tot deze mensen door te dringen. Op een gegeven moment wordt een rave afgebroken door het Marokkaanse leger, ze vragen alle Europeanen terug naar Europa te gaan, er is een noodsituatie en de suggestie van een derde wereldoorlog, maar deze ravers gaan niet terug naar Europa, zij gaan op zoek naar de volgende rave, want zij weten niet wanneer het klaar is.
Hoe langer de film duurde hoe meer ik het idee kreeg dat het daadwerkelijk de hel is waarin Luis zich bevindt. Door het woestijnlandschap en de hypnotiserende technosoundtrack gaat de tocht steeds mythischer voelen, alsof hij afdaalt als Dante, of als Orpheus die zijn overleden geliefde wil ophalen uit de onderwereld. Het is ook een truc van deze film, om je mee te sleuren en te hypnotiseren, om je vervolgens te shockeren. Het einde was wel vreemd vond ik, ik had verwacht dat er nog iets zou komen, maar misschien weet ik ook niet altijd wanneer het klaar is.
Achteraf heb ik allemaal interviews zitten kijken met de Franse regisseur Oliver Laxe. ‘Sirât is shock therapy,’ zegt hij. ‘To watch Sirât is to die.’ ‘To sit in a cinema and watch a movie together is a ceremony.’ Het was verfrissend om een regisseur zo onbeschaamd over zijn eigen werk te horen praten, en wie heeft het nou nog over psychoanalyse? Maar ik denk ook niet dat hij zomaar wat bluft. Ik kan het voelen, die subwoofers hebben ergens in mijn onderbewustzijn iets losgetrild.
Bedankt voor het lezen weer, lezer. Vind je dit een leuke nieuwsbrief? Deel het dan met iemand waarvan je denkt dat die het ook leuk zou kunnen vinden. Heb je een gave film gezien die ik ook moet zien? Laat het weten in de comments hieronder. Over twee weken zijn trouwens de Oscars, en ik ben voornemens daar een kleine tussentijdse special aan te wijden, maar die zien jullie vanzelf wel verschijnen. Tot dan!
PS.
Om te bewijzen dat ik niet zomaar wat verzin, hier nog een foto van Tilda en Wes in the flesh. Op de foto kan je zien dat op dat moment de mensen voor mij ook foto’s maakten. Dat gaf mij een triestig gevoel, met z’n allen dezelfde foto maken, maar ik deed het voor jullie.

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.