Twee Tsjetsjenen zaten in het park. Dat klinkt als een mop, vooral als je bedenkt dat het park de Hoge Fronten waren; de vestingwerken van Maastricht. In afwachting van klanten hadden ze zich in het gras van een bastion verschanst. Van Tsjetsjenen is het bekend dat ze zich niet makkelijk overgeven. Romeinen, Perzen, Ottomanen: niemand lukte het om ze werkelijk te overheersen. Geïsoleerd door de bergen handhaafden ze een patriarchale samenleving met een clan-cultuur. Door bemoeienis uit Qatar is het wahabisme populairder geworden dan het soefisme.
Als mijn hond niet op ze af was gekwispeld, was ik nooit met ze in gesprek geraakt. De oudste van de twee vertelde me dat hij zijn eigen honden miste. Herders; een Kaukasische en een Duitse. In zijn afwezigheid had zijn vader ze voor geld tegen elkaar laten vechten. Daarna had hij ze met een geweer uit hun lijden verlost. Dat klonk al niet meer als een mop. De zoon woonde nu in Lanaken maar wilde er niet blijven. België en Nederland zijn strani pederastov, zei hij, ‘flikkerlanden’. Hij vertelde nadrukkelijk dat twee van zijn drie vrouwen hem dochters hadden geschonken, die hij niet wilde laten opgroeien op een plek waar meisjes en jongens naar dezelfde wc moeten. Ik vermoedde dat hij genderneutrale toiletten bedoelde, maar vroeg naar die drie vrouwen. Daar zaten geen ex-en bij. Drie had hij er, tegelijk.
Wil deze scène de hoofdstedelijke goedkeuring wegdragen, dan moet ik hem herschrijven. Zoals het er nu staat, is het te stigmatiserend. Laten we van de twee dealers één aimabele man maken. Laten we hem Sjamil noemen. Sjamil zwerft rond met zijn ziel onder de ene arm en Tolstoj’s roman Hadji Murat onder de andere. Zo verschijnen vluchtelingen aan schrijvers: als bedachtzame wijzen die zich niet opdringen als de ik-figuur op zijn favoriete terras een glas geniet. Sjamil is niet ordinair. Niet zoals Westerse toeristen, de vrouwen niet te vergeten. Die beschrijft de romancier met ouderwets venijn. Misogyne platitudes passeren opeens kritiekloos de revue. Hoe kan dat? Dat dankt de schrijver aan Sjamil. Zolang hij diens beklagenswaardige lot maar onderstreept, komt hij bij anderen weg met seksistische, homofobe of antisemitische clichés. En Sjamil? Die hoeft niemand echt te kennen. Hij is een literair laisser-passer.
Maar ik verstond hem. Hij kwam los in de taal waarin hij zich al lang voor zijn vlucht had uitgedrukt. Hij had geen tijd om een blad voor de mond te nemen, of zijn sprookjesmuts op te zetten. Ik kende dat soort mutsen van vroeger. Oost-Europese vrienden hadden hem ook. Van je Kalinka-Malinka met je gevoelige ziel in de trojka: de clichés gingen er bij het Nederlandse publiek in als koek. Tegen mij was Sjamil geen voorbeeldige sprookjesmigrant; hij was in het Russisch uit zijn slof geschoten. Bovendien was hij niet de eerste Tsjetsjeen die ik ontmoette.
Zonder die conductrice, dertig jaar geleden, was ik in die nachttrein verkracht. Ze hadden me al bij de strot. En lager. Ik schoot wakker met een doorgroefd smoel boven het mijne. Zijn paniek dreigde met priemende blik: ‘ssst, ticho, stil. Laat je bekijken.’ We hadden ’s middags gepokerd. De Tsjetsjenen konden goochelen met kaarten. En met naïeve meisjes, wist de conductrice. Daarom had zij mij toch maar naar een andere coupé verhuist. Helaas konden ze ook met sloten goochelen. Van mijn kant kreeg ik de deur niet meer open. Met een laken om mijn lijf schopte ik uit alle macht tegen de coupéwand, een behaarde bast op afstand klauwend. De conductrice hoorde het en haalde er een mannelijke collega bij. De Tsjetsjenen taaiden spugend af. Ze waren te dronken om het nog eens te proberen.
Op het Maastrichtse bastion deed ik instinctief een stap achteruit. Blijkbaar zat de waarschuwing, dat je het met dat volk beter niet aan de stok kan krijgen, er nog steeds in. De mannen merkten mijn reactie tevreden op en wijdden uit over de pederasti en debili van België. In het Tsjetsjenië van Ramzan Kadyrov is polygamie (tot vier vrouwen) stilzwijgend toegestaan. Hoe het is gelukt om zo’n gezin naar Lanaken te verplaatsen, moet je niet willen vragen. Straalt slecht af op alle statushouders, zou Zita Pels zeggen. Volgens het gemeenteraadslid bestaan er geen culturele verschillen. Misschien hooguit tussen Amsterdammers en Limburgers. Na haar verkiezingsoverwinning beloofde ze dat iedereen in de hoofdstad dezelfde rechten zou genieten. Gedocumenteerd of niet. Geen mens is illegaal, en wie hij precies is, gaat niemand wat aan.
Het fascineert me, zo zelfverzekerd ze is. Twijfelloos. Staat pal voor haar principes. Zo spreekt een vrouw die vast nooit in een nachtcoupé of studentenkamer is opgesloten. Ze meent voor alle vrouwen te spreken en alle migranten te kennen. Die nacht van mij past niet bij de Duizend-en-een van haar. Zelf komt ze ook uit een ander verhaal: ze groeide op als paardenmeisje, zette ze zich in voor mens en dier. Ze stroomde vanuit de ene veilige omgeving door naar de andere en schopte het tot volksvertegenwoordiger van die lieve stad. Zo, vanuit de hoogte, omhelst de ene geïsoleerde cultuur de andere. Daartussen, in een nevelig dal, houdt de realiteit zich stil.
Dit stukje verscheen eerder in Hp/De Tijd
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.