Afgelopen zaterdag exclusief voorgedragen bij Queering the City of Literature, nu hier voor jou 🤍
Weet je, ik heb jou dit nooit verteld maar wij, de vrouw die ik kuste na jou, en ik, wij wisten dit eerst niet van elkaar. Wij wisten eerst niet dat we thuis, in onze eigen steden, steden aan twee kanten van Europa, niet meer dan schimmen waren.
Oraș minat, noemt ze het, de vrouw die ik probeer lief te hebben na jou. Bemijnde stad. Ze zegt deze woorden als we al twee jaar samen zijn. En ik denk meteen: ja, zo voelde het. Zo had jij deze stad voor mij gemaakt. Zij en ik, we herkennen elkaar, misschien wel ongemerkt: wij komen allebei uit zo’n stad. Als zij en ik elkaar voor het eerst echt kussen, in de gang van een hotelkamer in Berlijn, suizen de schreeuwende straten die jij voor mij maakte, en haar geliefde voor haar vormde, nog zacht door onze aderen. We kussen voorzichtig, lief en schichtig, we zijn verwilderde bange beesten geworden die opeens hun kooien uit zijn gelaten en weer in het licht mogen gaan staan. We staan opeens buiten na lange periodes vol onverwachte ontploffingen. Daar in Berlijn liggen we naast elkaar in bed en denken allebei, zonder het te zeggen: 'Hoe bouwen wij een nieuwe laag op onze oude steden van bemijning? Hoe bedekken we die laag veilig?’
We zijn verliefd. Ja, nee, we zijn verliefd en we proberen het. We proberen verliefd te zijn, bedoel ik. Angst woont nog lang in onze vingertoppen. Soms raakt zij mij aan en dan gaat alle oude bedrading in mij op rood. Dan hoor ik jouw schreeuwende stem en woorden als: ‘jij respecteert mij niet!’ en gaat alles op zwart. Het zwart zeurt aan mijn kop: hoe weet ik dat zij mijn leven niet ook vol zal leggen met explosieven, zoals jij deed? We zijn verliefd, maar met veel weerhaken. Het duurt lang om los te raken van jou en van de bemijnde stad die je me oplegde. Langzaam trek ik me los van jou, richting haar armen. Op mijn rug openen zich wonden, alles scheurt.
Jij sloeg wonden in mij en liet me er mee achter. Zij kent de wonden die gepaard gaan met een bemijnde stad: zij woonde er zelf ook in één. Ook zij raakte verstrikt in iemand zoals jij. Iemand met onstilbare, onduidbare, onlogische, misplaatste vernietigingsdrang. Als we elkaar beter leren kennen, na die nacht in Berlijn, vertellen we over onze oude tijden van vernietiging: we wandelen door haar oraș, Boekarest, of mijn stadsie, Utrecht. We gidsen we elkaar ongemerkt langs de donkere plekken die jij en haar ex-partner voor ons maakten, lopen langs de littekens die we kregen:
‘Hier ging ik niet meer heen toen –
Hier schreeuwde zij dat –
Hier kom ik niet meer sinds –
Daar fietste ze zomaar weg –
Op deze tegels werd ze kwaad –
Hier smaakte het eten niet meer
Tegen dit raam gooide ze een baksteen –
Hier en
hier en
hier en
hier en
hier loog ze tegen me –
En daar, in die club, kom ik nooit meer – ’
Het is lastig om een bemijnde stad kwijt te raken, weet je. De eerste maanden met haar is het zwaar om jou echt onder me vandaan te lopen. Het is moeilijk om jou af te laten slijten. De stad van ‘na’ jou is lange tijd toch een beetje de stad van ‘toen jij’.
Zij en ik moeten dat constant erkennen, elke dag: twee oraș minat-ten kleven aan ons als een tweede realiteit. Er zijn schaduwplekken die achter ons aan bewegen, ons soms opjagen, en ons vaak bang maken om niks.
Kijk, zij en ik, wij dachten deze laag van de stad nooit in ons leven te bezoeken, die laag waar jij mij opeens naartoe trok. Wij zouden daar nooit terechtkomen, dachten we. Soms passeerden we huizen waarin iemand iets werd aangedaan, dan hoorden we geschreeuw en gehuil en gebrul en gedreig en gesmijt door een open raam naar buiten glippen en dachten: ‘ai, de stad moet voor sommigen zo donker zijn.’
Maar toen tuimelden we er opeens zelf in, vielen we door dat open raam waaruit geweld klonk, zogen jij en haar partner ons achterstevoren een wereld in van – ja, ik kan het niet dichterlijk maken - mentale terreur.
‘Onverwacht’, zeggen we tegen elkaar in onze eerste jaren samen, of – en zo geven we onszelf nog lang de schuld – ‘naïef’: we zagen eerst niet dat de straten en voordeuren en kiepramen en doucheputjes en eettafels en banken en bedden en kasten en kleine prulletjes op de vensterbank en dikke boeken en roze schilderijen en vrolijk gekleurde koffiekopjes en nieuwe schoenen in de gang en in de zon blinkende dromenvangers langzaam aan het kantelen waren.
Tot jullie ons er opeens in hadden opgesloten, de Villa Volta van de verbogen werkelijkheid: de plek waar liefde opeens een lachspiegel werd. Niets wat wij dachten was nog echt en alles wat we zeiden was verdraaibaar.
Verdedig je niet, dat zal alleen maar tegen je werken.
Dit leerden we: de oraș minat spreekt niet, de oraș minat sist.
Hou je mond en luister, jij liegt, je spreekt onwaarheden. Jij bent niet te vertrouwen, je laat me niet met rust, je respecteert me niet, je geeft me geen ruimte, je begrijpt me niet hoort me niet luistert niet waarom heb je dit aan waarom praat je zo waarom vind je dat liedje leuk waarom heb je kastjes van hout waarom is je keuken zo waarom app je me niet elke ochtend heel veel hartjes je appte me gisteren hartjes dat vind ik leuk app me elke dag hartjes als je het niet doet ben ik zo verdrietig waaromgajenoualwaaromgajehewathebiknougedaanhebikhetnouOWACHTJAHOORNUHEBIKHETZEKERVERKEERDGEDAANJAHOORNUBENIKNATUURLIJKGEKWEETJEWIEERGEKISJIJJEZOUJEZELFEENSMOETENHORENPRATENJEBENTGESTOORDWEETJEDATROTOPDANKUTWIJFneenietgaannietgaannietgaanikmoethuilenikhouvanjounietgaannietgaanwatmoetikzonderjouikdoemezelfietsaanzonderjou
Je veranderde mijn stad: er ontstond een oraș minat vol bochten met een hoge hartslag, straten van angst en geschreeuw die mij achtervolgden. Mijn geliefde en ik reden nachten achtereen huilend naar huis, ik in Utrecht, op mijn fiets tegen de wind in, zij in haar auto, met de bus of in de metro.
Jij bent eigenlijk niet te vertrouwen he? Toch? Je bent niet te vertrouwen zeg ik je.
De oraș minat is een plek die we mishandeling zouden moeten noemen, en plek waarin we naar jullie zouden moeten wijzen, met neonlicht, met banners, met glow-in-the-dark-stoepkrijt op de klinkers, maar op het moment zelf waren zij en ik daar nog helemaal niet mee bezig. We waren vooral bezig niet gewond te raken. Gewoon de dag doorkomen. Leven in de oraș minat was als watertrappelen in groep drie, uren achter elkaar. Als jullie in de buurt waren, ontstond er explosiegevaar. Wij hadden dit eerst niet door, maar dit gebeurde er: wijsvingertjes in de lucht en trappelen maar. We duwden en duwden en duwden met onze kuiten tot alles verzuurde en onze spieren van steen werden. Tot we de standbeeldversie van onszelf werden, en eerst dachten: ‘oi, best handig dit?’
In de oraș minat leek standbeeld zijn het veiligst. Standbeelden worden niet geraakt, die ondergaan het allemaal, kunnen niet reageren. En dat laatste is handig, want dit was misschien nog wel het gevaarlijkste: reageren. De reactie op de pijn die we ervoeren, riep alleen maar meer woede op, als een domino-effect dat de escalatie exponentieel vergrootte.
Ik dacht dat ik vroeger begreep wat mijn moeder bedoelde, als ze zei ‘je maakt het van kwaad tot erger’, maar pas sinds jou begrijp ik wat dat is, zelfs al bevroor ik tot een standbeeld, jij maakte het kwaad erger, je was je eigen storm, je eigen tornado, je eigen onrust en geweld, je erodeerde alles kapot, zelfs mijn stenen huid waar ik me zo aan vastklampte. Zelfs tegen een bevroren lijf kan geschreeuwd worden, en gescholden, en gemeen gedaan.
We waren standbeelden en we zakten naar een ander level van jullie donkere steden: viața subminată, het ondermijnde leven: de stad was nu een doolhof vol dode eindes op punten waar we vroeger gewoon door konden lopen, waar nieuwsgierigheid het mocht winnen van de woede en de angst en woorden die omgekeerd over ons heen gespuwd werden.
Zij en ik bewogen als ongetrainde bom-ontmantelaars door het leven, over de parcours die jullie voor ons uitzetten. Al ontmantelend werden we schimmen van onszelf.
Weet je, ik heb jou dit nooit verteld maar, We wisten dit eerst niet van elkaar, de vrouw die ik kus na jou en ik. We wisten eerst niet dat we thuis, in onze eigen steden, niet meer dan schimmen waren. We leerden elkaar kennen in een stad tussen onze steden in.
Ik was nog met jou. Zij was nog met haar. En opeens waren we op een mijnenvrije plek. We wandelden door musea. We lachten. Waren steeds bang voor gevaar maar lachten. Waren bang voor ontploffingen maar die kwamen niet. Dachten af en toe: goh wat is dit kalm – wat een veilige anomalie.
We lachten nog meer en dronken kalme biertjes in de zon. Lachten nog wat. Liepen een restaurant in en weer uit, zonder daar onduidelijke ruzie over te krijgen, we zeiden enkel: ‘nee dat is het niet, we zoeken wel wat anders.’
We brachten ook de avond met elkaar door. Lachten. Lachten meer. Dansten. Hielden elkaars handen vast. Kusten één enkele keer. Vielen naast elkaar in slaap met – eindelijk - een rustig lichaam.
Om daarna terug te gaan naar onze gevangenissteden, waar we nog maanden zouden zitten. Daar aangekomen deden we, als brave gijzelaars, onze ketenen weer om.
Het duurde lang tot we onszelf bevrijdden, tot ik me bevrijdde van jou. Tot ik kon naar de stad na. Tot ik echt tegen haar durfde te zeggen: laten we dit proberen, ik denk dat ik klaar ben om te ontsnappen.
Wie roept dat dit soort ontsnappingen zo gepiept zijn, liegt. Als er zuurstof in de stad was om onze stem mee te verheffen en onszelf mee te bevrijden – ja. Maar de vrouw na en ik, wij konden niet goed ademen. Jullie zaten op onze borstkas. We watertrappelden nog maar half, we gingen steeds kopje onder, we waren moe, uitgehold, stuk. Onze longen zaten vol water. We konden niet meer lachen zonder na te denken. We konden niets meer vragen zonder bang te zijn.
Ik wachtte. Ik wachtte tot ik niet meer terug kon. Ik wachtte tot de mijnen zo dicht op elkaar lagen dat, als ik er een aanraakte, alles sowieso ontploffen zou. Ik fluisterde tegen mijzelf: ‘het is niet erg als ik geraakt word en iets verlies. Zelfs al zou het een ledemaat zijn, het zal me rotten.’
Een oras minat verlies je niet, die moet je kwijtraken, detoneren, opblazen, wegruimen, in elkaar laten zakken. Vernietigen. Zoals de bouwer van deze ruimte jou wilde vernietigen.
Soms denk ik: nu zijn we sterk genoeg, nu wil ik tegenover jou en haar zitten, nu durf ik het. Weer in dat huis, weer op de plek waar jullie gooiden met spullen, weer in die ruimte waar jullie niet konden slapen en ons wakker hielden tot jullie zo zenuwachtig werden dat jullie stekende dingen begonnen te zeggen. We zouden dit kunnen zeggen: ‘we wisten jullie nummers, blokkeerden jullie overal: instagram, email, linkedin, facebook. We kapten belletjes vanaf jullie moeders telefoons af en gooiden de brieven die jullie nog door onze bussen propten linea recta in de prullenbak. We probeerden jullie niet tegen te komen in deze godvergeten stad met zoveel bochten en stoepen en straathoeken en winkels en festivals en avonden en bioscopen en terrassen waar we jullie opeens tegen zouden kunnen komen. We werden direct misselijk als we jullie zag lopen of fietsen of rijden of staan in de verte. We voelden onze maag omdraaien als we iemand ontmoetten met dezelfde naam als jullie.
Nu, na drie jaar, zou ik, zittend naast mijn partner, mijn zweethand in de hare, dit gesprek willen voeren en aan jou willen vragen: begrijp je wel wat jij in die korte tijd met mijn semi-veilige stad hebt gedaan? Twintig jaar van mijn leven heb ik heel voorzichtig aan mijn vrijheid op deze plek gesleuteld.
Ik was zestien, toen ik voor het eerst bewust als queer deze stad binnen kwam. Voorzichtig schuifelde ik door de deur van een hele smalle gaybar, ergens op de hoek van een gracht waar ik nog nooit had gelopen. De muziek blèrde vol plezier naar buiten. Op de bar, naast een grote discobal, danste een dragqueen in een fantastische glitterjurk op een lied van Cher:
Do you believe in life after love?
Er werd gejoeld en gegild, mensen zaten onophoudelijk aan elkaar, ik voelde me verlegen, in paniek en enthousiast tegelijk, dit was mijn eerste parel gevonden in het mijnenveld. Ik leerde: queer zijn in deze stad gaat altijd over risicovol leven, elke dag. Ik had altijd gedacht dat dat wel voldoende risico was. Voldoende pijn en ongemak. Voldoende oppassen. Opletten. Handen loslaten. Wel kussen niet kussen. Open zijn, vrij zijn, me blootgeven. In dubbele lagen leven, goed kijken, zeker weten, me afvragen. Ik bedoel maar te zeggen: het was niet zo dat er in deze stad niet al mijnen lagen. Ze lagen overal, snap je. Queer living equals queer demining. Ik had echt gedacht dat dat meer dan voldoende was. Dat de oraș minat die jij maakte, niet ook nog kon bestaan bovenop de oraș minat waar ik al in leefde
Weet je, deze stad van na jou is een stad waar ik geregeld boos op was, omdat deze stad heel lang blind leek te zijn, of deed alsof het jouw geweld niet zag
Ik dacht dat mijn stad expres niet oplette, zich van me wegdraaide, de straatlantaarns liet doven, niemand op het fietspad liet opdoemen als jij me weer eens stond uit te kafferen.
Ik was boos omdat mijn stad niemand liet verschijnen die naast jou stil zou staan en zou schreeuwen: ‘he joh, achterlijke gladiool, doe es effe normaal!’
Ik was woedend op mijn stad, omdat die het niet liet stormen door jouw straat, zodat de ramen open zouden waaien en jouw geschreeuw naar buiten zou ontsnappen, richting een mens dat in kon grijpen.
Maar de donkere stad die jij voor mij vormde, bemijnde zich van binnenuit. Het is een mensenhand die de mijnen legt, op de meest intieme plekken, niet de stad zelf. Het zijn de gesloten deuren, waarachter het begint, dan pas de straten, de parken, de bioscopen, de theaters, de kroegen, de supermarkten, de steegjes en de grachten.
Ontmijnen duurt langer dan mijnen leggen. We zijn al bijna drie jaar bezig stenen te verzamelen, zij en ik. We herbetegelen stukje voor stukje. Het bij elkaar sparen van de juiste stenen duurt lang. Niet meer op mijnen stappen is zwaar werk. Fysiek werk. Mijn spieren zijn soms verzuurd. Ik ben soms moe, kwaad. We halen soms uit naar de verkeerde. Maar we zien wel resultaat, al het zeulen met dat gewicht helpt: de stad verandert langzaam terug. We voelen het als we lopen: er ontploft steeds minder.
Veel dank aan Sophie Kuipers voor de redactie, openheid en het meedenken.
Tot gauw weer ergens, lieve lezer.
Liefs,
Lisa
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.