Ik zag laatst een video op Instagram. (Ja, op Instagram, sorry dat ik nu al meteen in de eerste alinea alle ruiten van mijn eigen tekst begin in te gooien, maar ik moet echt hier beginnen, dus laat ik dan ook maar gewoon driedimensionaal menselijk falend en kwetsbaar zijn en dom mijn eigen tekst onderuithalen en onderbouwen tegelijk, want bij dit beeld moet. Het moet! En ach, laten we eerlijk zijn: u gaat toch hoe dan ook commentaar zitten leveren op wat hierna komt, dus vergeef het me, en vergeef uzelf daarna.). Goed. Opnieuw: ik zag laatst een video. Op Instagram. Een video van een meisje dat in New York over een metroperron danst. Ze danst en rent terwijl een vriendin haar filmt. Ze beweegt over een perron tussen alleen maar zombiescrollende mensen door. ‘Welcome to today’s society,’ zegt ze schertsend en quasi-opgewekt, ‘look at all these people on their phones! They don’t even know what I’m doing!’ Ze lacht in zichzelf om hoe belachelijk het is. Ze rent het perron op en af. ‘Nobody notices.’ Dan kijkt ze recht camera in: ‘This is your sign. Do what’s embarrassing. Nobody cares! Follow your dreams! And your heart.’
Ik denk al maanden aan dit meisje. Aan hoe ze alleen is tussen de anderen. Hoe de anderen een performance van gelijkheid uitvoeren en zij de anomalie is. Aan de bijna communistische-parade-vorm van al die gekromde nekken die naar die telefoons kijken. Aan hoe de wereld alleen nog voor dit meisje een speelplaats is, terwijl al die tientallen mensen om haar heen zijn gestopt met spelen en alleen maar zwijgend en compleet weggezonken stilstaan. De mensen om het meisje heen worden begeleid door niche-verhalen die voor hun niche-interesses in niche-hapjes aan hen worden voorgeschoteld op 5”6 inch schermpjes. Behalve hun strak op elkaar afgestemde scroll-choreografie hebben ze steeds minder gemeen. Alles waar ze naar kijken is compleet aangepast op hen, met tussendoor een groeiende aantal advertenties en amper van echt te onderscheiden AI-slop. Alleen hun bewegingen zijn nog mainstream – ze beheersen het straatbeeld, ze zijn de norm geworden. Welkom in The Matrix.
De gemiddelde schermtijd van de Nederlander is 5 en een half uur per dag. Die vijf en een half uur spenderen we, al wandelend, zittend en reizend, in onze ‘prive-studio’, zoals theatermaker Rebekka de Wit het omschrijft in haar nieuwste stand-up voorstelling Een stukje naar de mensen toe. Een privé-studio. Daarmee bedoelt De Wit niet meer dan een koptelefoon en een telefoon, twee tools waardoor we helemaal in onze eigen bubbel rond kunnen bewegen, ook als we buiten lopen, tussen alle andere mensen, die ook ronddobberen in hun privé-studio’s. Welk leven leef je dan eigenlijk, vraagt ze zich af. Ze vraagt zich dat af op een toneel, in een ruimte waar alle telefoons even uit moeten, waar er een gecomprimeerd uur de bubbel doorgeprikt kan worden.
Is die bubbel genoeg? Kan een uur kunst ervoor zorgen dat de telefoon na de voorstelling niet meteen weer aan gaat? Hoeveel uren kunst zouden we nodig hebben om de telefoon uit het straatbeeld te laten verdwijnen en het spel en het gesprek weer terug te brengen? Ik vraag dit niet zomaar. Ik vraag dit omdat ik 1) denk dat kunst je veel basisvaardigheden voor het leven kan leren, zoals falen, diepe liefde, gekwetsheid, verraad, openheid en hoop. En ik vraag dit om ik 2) me best wel ernstig zorgen maak. Een voorbeeld van mijn zorgen: in een live podcast opname van Unlocking Us spraken de inmiddels iconische therapeutes Esther Perel en Brené Brown tijdens het grote festival SXSW over hoe smalltalk meer en meer verdwijnt uit de maatschappij en hoe mensen steeds minder weten hoe ze met onbekenden moeten praten, in de rij voor de kassa bijvoorbeeld, of in het openbaar vervoer, op een luchthaven, in een restaurant.
Unlocking Us gaat als serie – wees niet verbaasd – over de gevaren van kunstmatige intimiteit, de overweldigende grootsheid van het bestaan en het menselijke verlangen naar gemeenschap en samenzijn. In deze specifieke SXSW aflevering heeft Esther Perel het in het bijzonder over ‘ambigu verlies’ – een term van Dr. Pauline Boss. Dit gaat over rouwen zonder de mogelijkheid om te kunnen rouwen. Dit kan optreden in een situatie waarbij je recht tegenover iemand zit, iets heel kwetsbaars vertelt en diegene reageert met niet meer dan ‘hmhm, ja, ah ja, hm’, omdat deze persoon eigenlijk met zijn/haar/hun hoofd ergens anders is. En het kan bijvoorbeeld ook voorkomen als iemand alzheimer heeft: diegene is er fysiek, maar emotioneel is deze persoon helemaal verdwenen. Je rouwt al terwijl je ook nog niet echt kan rouwen. Je rouwt om het verdwenen stuk, terwijl de potentie van de aandacht er nog is. Is het meisje op dat perron iemand die rouwt om de rest die potentie heeft maar daar gewoon mee is opgehouden? Is dit niet het meest verknipte beeld dat we ons voor hadden kunnen stellen van onze o zo ontwikkelde samenleving? Moeten we niet verschrikkelijk verdrietig zijn dat niemand op haar reageert, dat er geen vlam ontsteekt, er geen frictie is?
Want wat betekenen de bewegingen van dit meisje in die robotisch scrollende menigte als er geen reactie is? Is de rest eigenlijk niet gewoon emotionele dood? De enige persoon die daadwerkelijk frictie ondervindt van dit laconieke en sarcastische, meisje, ben uiteindelijk ik, op een avond dat ik op een perron sta te scrollen. Via het voorgeserveerde algoritme kom ik haar terechtkomt en schaam ik me diep, diep, diep voor hoe meta ik online wordt afgeserveerd voor mijn emotionele afwezigheid op dat perron. Ik denk: fuck, ik moet mijn telefoon achter slot en grendel stoppen. Weg ermee. En dan is het er: frictie. Frictie! Het meisje veroorzaakt frictie. En frictie is nodig, want anders wordt de wereld een heel eenzame plek, een lonely place.
Met lonely place bedoel ik niet de lonely place waar zangeres Grace Jones het over heeft, en de lonely place die ik als kunstenaar koester: ‘The performer takes the risk. It’s a lonely place. A fascinating lonely place.’ In die lonely place gebeurt er tenminste nog wat, omdat die lonely place altijd de ander nodig heeft. De kunst die in een vacuum gemaakt is, wil uiteindelijk met jou in een ruimte zijn, zoals Rebekka de Wit met jou in het theater is, één echt uur. Zo kan er beweging ontstaan. En dat kan dan ook buiten, bij de rij voor de kassa bijvoorbeeld: even praten met elkaar. Praten, niet afhaken, niet uit ongemak naar je scherm grijpen. En zo kan er ook frictie ontstaan. Wrijving. En van wrijving komt vuur en bij vuur kan je je handen warmen. Je kan eromheen zitten. Je kunt er marshmallows in roosteren en met je buurvrouw praten en extra hout halen en uiteindelijk komt er altijd weer een man (sorry) met een gitaar die Wonderwall gaat spelen. En dat hij dat doet geeft ook frictie, maar in ieder geval gedeelde frictie, groepsfrictie. En die groepsfictie is onvoorspelbaar, maar leuk. Er kan gespeeld worden, en gefaald en gelachen om het falen. Er kunnen intieme en kwetsbare verhalen worden verteld. Er kan iets ongecontroleerds gebeuren.
En ongecontroleerde momenten zijn de beste momenten. Want dat zijn de momenten waarop alles leeft en beweegt en wankelt en er ook juist iets prachtigs kan ontstaan. Uit minder controle komt meer leven voort. Dan vallen alle losse stemmen samen, om dat vuur heen, en dan is er opeens een koor. Ik als kunstenaar zoek de hele tijd naar een koor waarin het mis mag gaan. Naar iets dat mag mislukken. Het risico van de mislukking, maar vooral ook de lol. En het feest van als iets per ongeluk wel lukt. In tegenstelling tot stilstaand scrollen, bijvoorbeeld, dat lukt bijvoorbeeld altijd vanzelf: het is een risicoloze onderneming. Vind je iets niet leuk genoeg: volgende. Vind je het wel leuk: repeat. Dopamine, repeat, dopamine. Volgende: niet leuk? Keuze gemaakt, toch een beetje dopamine. En zo scroll je je levensuren op aarde weg.
Het is allemaal zo risicoloos en inhumaan als we alleen nog maar gecomprimeerde dopamine binnen willen krijgen, zoals zangeres Robyn vertelt over haar nieuwe track Dopamine: ‘everyone has a phone where they see their heart rate. And we are learning how to decode our emotions through the hormones and chemical substances in our bodies. It is almost like we don’t even accept that we’re human anymore, like we’re trying to shoot ourselves out of it and explain every single thing - which I think is great, but that’s also why this world is shit, this idea that you can figure out and win life or something.’ En die laatste opmerking, die pakt me: staan op er dat perron tientallen mensen te swipen, omdat ze zo het leven uit kunnen spelen?
Ik denk het niet. Op het perron waar het meisje overheen dartelt vindt vooral gecontroleerde groepsbevriezing plaats. Zo wordt die hele groep een lonely place – dit is dus de verkeerde lonely place. En daar krijg ik het spaans benauwd van, zeker als kunstenaar. Juist als kunstenaar. Ik vind die nieuwe vormen die lonely places aan beginnen te nemen doodeng. Want lonely places worden plekken waar enge verhalen geboren kunnen worden: complottheorieën, haat, onderdrukte schaamte die gaat giften tot woede die weer gaat schimmelen en nog giftiger wordt als er geen licht bij komt. Net als die synchroon scrollende groep mensen verwordt alles wat te lang lonely is langzaam tot een monologische wereld, zoals Eva Meijer zo mooi omschrijft in haar boek Misschien is een ander woord voor hoop. In lonely places bestaan er geen misschienen, enkel monologen. Monologen die, logischerwijs, met niets meer in dialoog gaan. Die geen frictie opzoeken. Die alleenheerser willen zijn van eigen waarheden, die niet eens meer zin hebben om af en toe een whattaboutismetje naar buiten te keilen, als een steen die nog probeert kringen te maken op heel erg spiegelend water. Niks daarvan. En dat is zo eng. Want lonely places zijn de verblijven van paranoia dictators en autocraten, van mannen als Poetin en Trump en Orban en Wilders en wijlen Assad en vroeger van Hitler, van voormalig geïsoleerde landen als Albanië, waar Hoxha honderden bunkers liet bouwen omdat hij dacht dat iemand zijn onderdrukkende regime aan zou willen vallen – plekken als Noord-Korea waar de krant alleen in de metro hangt op borden en niemand zelf mag kiezen wat die lezen wil. Plekken waar ‘vrije verhalen van de ander’ amper naar binnen kunnen lekken. En zo wordt de lonely eenling een koor, dat allemaal in dezelfde scrollende pas loopt, met het vertekende vrije-markt-denken-gevoel dat het nog wel eigenheid bezit. 5”6 inch eigenheid. Elke dag, urenlang.
Het lijkt wel of we steeds minder mensen willen zijn die af en toe door elkaar geschud moeten worden, alsof we overal bumpers omheen willen binden en onszelf inkapselen in wat bevestigt - niet bevraagt. Maar een leven zonder vragen is als een weg zonder afslagen. Dan gaan we alleen nog maar rechtdoor. Het zal mij verbazen als we de afslagen dan niet gaan missen. Ik bedoel: Vijf. En. Een. Half. Uur. In die tijd heb je zes gesprekken met totaal onbekenden in een kroeg en kom je in aanraking met werelden waar je normaal niet mee bezig bent; in die tijd word je dronken op een feest met allemaal vreemden om je heen of maak je een NS-wandeling waarbij je anderen groet die je tegenkomt. De vijf en een half uur die we alleen zitten te scrollen is hoe we het echte leven stukje bij beetje kapot maken door al het normale risico van het voormalige leven te mijden. Want dat is het: voormalig. Glijdende schaal voormalig: elke scroll is een stapje verder weg uit de samenleving.
Ik kijk de video van het meisje op het metroperron best vaak terug. Vooral vanwege de laatste zinnen die ze zegt: ‘This is your sign. Do what’s embarrassing. Nobody cares! Follow your dreams! And your heart.’ Want in die zinnen begint kunst. In dromen, en in alles wat gênant is. Ik denk dat we elkaar als mens nog het meest herkennen in wat genant is. En kunst is bij uitstek de plek waar dat tentoongesteld kan worden: georkestreerde frictie, zodat je even voelt dat je leeft. Mensen van buiten de kunsten, mensen op rechts met weinig fantasie en weinig verlangen naar droomwerelden, met weinig dromen over plekken waar je onbesuisd je hart volgt en ongegeneerd onmogelijke fantasieën mag uitproberen, blijven maar beweren dat de kunst een ivoren toren is. Ik geloof dat niks van. Ik denk dat zij in ons juist een gevaar zien, omdat wij in de kunst nog proberen wat frictie te bouwen, wat uitgestrekte dopamine te bieden, wat leven, wat risico. Een anti-kunstenaars-kabinet heeft er baat bij als de leden van de bevolking langzaam allemaal 5”6 inch-verslaafde ivoren torens worden. Kartonnen, 2D ivoren torens, die een eind weg scrollen en nergens meer op letten. Als je om die robotmensen heen danst kan je doen wat je wil, ze zien je toch niet, hoe driedimensionaal je je ook gedraagt. Als je ertegenaan beukt vallen ze misschien om, als een bevroren standbeeld, vastgeroest in telefoonuren. Wij in de kunsten zijn het niet, ivoren torens – of in ieder geval, ik probeer het niet te zijn – maar al die mensen op die perrons, zij zijn allemaal onze ivoren toren aan het worden. En dan vraag ik u: wat is er van ons geworden? Het jonge meisje op dat perron in New York heeft het antwoord: ‘Welcome to today’s society.’ En dat is zo zonde.
De mens is niet gemaakt voor afzondering. De mens is gemaakt voor samen. Als een zwerm vogels, die in de lucht precies weet wanneer te bewegen en op die manier prachtige vormen kan maken. Om dat te kunnen, moet je heel goed op elkaar letten. Zoals een theatertekst, uitgesproken door een acteur, alleen past bij het decor en de muziek als iedereen meewerkt. Dan wordt een voorstelling pas meer dan de som der delen. Dan ontstaat er magie. En ik mis die magie zo op straat. Tussen ons, ons mensen – mijn ivoren toren ligt al jaren bij het grofvuil, hoor. Ik wil de magie van praten met een vrouw bij de Kiosk op het station wiens parkiet is overleden en waar ze zo’n verdriet om heeft. Ik mis in de rij staan en dat iemand een raar verhaal vertelt en je even een grap kan maken met een onbekende. Ik wil discussies aan de bar die niet monologisch uit de hand lopen, maar mijn wereld opentrekken. Ik wil echte, hoekige dopaminestoten, ik wil uit de privé-studio, ik wil dat jullie allemaal op het perron staan en aan dat meisje denken als je weer eens je telefoon wil pakken: ‘This is your sign. Do what’s embarrassing. Nobody cares!’ En dat je dan iets raars doet. Iets risicovols. Dat je liefdevolle frictie maakt.
Liefs,
Lisa
p.s. I Samen met Teddy Tops (en 40 nationale en internationale schrijvers) zette ik in anderhalve maand tijd een boek in elkaar, waarvan het geld naar een goed doel gaat (wederopbouw in Gaza): J’ACCUSE.
Het is vanaf dinsdag 2 december te koop. Dus koop het nu. Bij de betere boekhandel, lokaal, geef het cadeau, geef het vaker cadeau, praat erover. Val iedereen ermee lastig. Alle netto winst gaat naar Plant een Olijfboom.
p.s. II oké, als je de video wil zien: hier is ie.
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.