RSS Amplifier

Dwaalwegen · Aug 9, 2026

#34 Klimt in Wenen

0
Sign in to vote or save

Rudi DHauwers · Dwaalwegen

Het koffiehuis ruikt naar natte wollen jassen en gemalen koffie, en aan het tafeltje naast het mijne zit een oude man die zijn Melange laat afkoelen zonder ervan te drinken, alsof hij wacht op iemand die al honderd jaar te laat is. Boven de spiegels hangt het stucwerk te verstoffen in een gouden waas, en de ober beweegt met de plechtigheid van iemand die weet dat hij figureert in een decor. Ik bestel een glas Grüner Veltliner, koel genoeg om te prikken op de tong, en denk aan een schilderij dat ik gisteren zag: een vrouw die verdwijnt in haar eigen jurk, opgelost in bladgoud tot je niet meer weet waar zij ophoudt en het ornament begint. Buiten regent het op een stad die volhoudt dat het nog 1900 is.

Klimt was de zoon van een goudsmid, en dat is een van die feiten die je makkelijk vergeet zodra je voor De Kus staat, verblind door de schittering, maar het verklaart alles. Hij groeide op tussen gereedschap dat bladmetaal dunner sloeg dan een gedachte, en toen hij zelf ging schilderen, verving hij op een dag gewoon de verf door het materiaal van zijn vader. Het eerste werk waarin dat radicaal gebeurt, is Judith I uit 1901: geen goud dat een achtergrond suggereert, maar goud dat de achtergrond is, structureel, tastbaar, alsof het schilderij zelf een kostbaar voorwerp wil zijn in plaats van een venster op iets anders. Klimt reisde weinig, op twee uitstappen na, naar Venetië en Ravenna, waar Byzantijnse mozaïeken eeuwenlang licht vastgehouden hadden in kleine gouden steentjes. Hij kwam terug met iets dat hij nooit meer kwijt zou raken.

Wat mij intrigeert, en wat de meeste museumzalen niet vertellen, is hoe kort die Gouden Fase eigenlijk duurde. Amper een tiental jaren, tussen 1898 en 1909, binnen een carrière van meer dan veertig. Het goud waarmee we Klimt identificeren is dus zelf al een concentraat, een distillaat van een veel groter en grilliger oeuvre, ingedikt door onze herinnering tot het enige wat overblijft. Hij zei ooit over zijn werk aan het Palais Stoclet dat het “waarschijnlijk het ultieme stadium” van zijn ornamentiek was, en die zin klinkt, uit de mond van een man die nog negen jaar te leven had, verrassend als een afscheid.

Ik denk aan die inkrimping terwijl de Grüner Veltliner zijn peperige staart achterlaat op mijn tong, en ik moet toegeven dat het niet de wijn is die de gedachte oproept, maar zijn tegenpool: de zoete wijnen die pas ontstaan wanneer een druif eerst bijna kapotgaat.

Botrytis cinerea is in de verkeerde omstandigheden een ramp, de schimmel die een hele oogst grijs en waardeloos maakt. Maar geef haar een vochtige ochtendmist gevolgd door een droge, warme namiddag, en diezelfde schimmel doorboort de schil van de druif zo precies dat het water verdampt zonder dat de bes openbarst. De druif verliest tot zestig procent van haar gewicht. Wat overblijft is een gerimpeld, onaantrekkelijk ding vol geconcentreerde suikers, zuren en aroma’s die door de schimmel zelf worden opgewekt, niet enkel geconcentreerd. Sauternes ontstaat zo, en Tokaj, en beide dragen de naam die deze verwoesting een compliment maakt: edele rotting.

Er schuilt iets onbeschaamds in die naam. Alsof men wilde zeggen: ja, dit is verval, en ja, we noemen het toch nobel, want het resultaat is te mooi om het bij zijn ware naam te noemen. Dezelfde onbeschaamdheid zit in Klimts goud. Hij bedekte lichamen tot ze geen lichamen meer waren, tot huid en jurk en achtergrond een en dezelfde glinsterende oppervlakte werden, en niemand in Wenen vond dat een verlies. Men vond het een verheffing. De vrouw verdwijnt, en wat overblijft is kostbaarder dan de vrouw ooit was. Er is een woord voor wat een schimmel doet met een druif en wat bladgoud doet met een gezicht, en dat woord is niet vernietiging. Het is distillatie.

De ironie, natuurlijk, is dat Wenen dit allemaal wist. Achter de pompeuze gevels van de Ringstrasse, waar het keizerrijk zichzelf vierde in steen, woonden mensen in kleine kamers, en het rijk zelf hield meer dan een dozijn nationaliteiten samen met een grip die elk jaar zichtbaarder verslapte. De generatie van Klimt groeide op in een stad die haar eigen ondergang al kon ruiken, en de reactie was niet verzet, en ook niet ontkenning, maar iets vreemders: een verfijning die met de jaren intenser werd naarmate de fundamenten meer kraakten. Freud ontleedde hier de onderbewuste kelder van de menselijke geest op wandelafstand van waar Mahler zijn symfonieën leidde, en beiden werkten in een stad die, achteraf bekeken, nog geen twintig jaar van haar eigen instorting verwijderd was.

In dit Café Central, waar ik nu zit, zou Trotski gezeten hebben, en Freud kwam er als vaste gast, en er bestaat een anekdote, half legende, half waarheid, over hoe een minister van buitenlandse zaken de mogelijkheid van een revolutie wegwuifde met de woorden: wie zou die leiden, misschien meneer Bronstein daar aan de overkant?

Historici twisten intussen over wie hier nu precies gelijktijdig zat, en of Hitler, Stalin en Tito werkelijk ooit in dezelfde ruimte hun koffie roerden. Maar de twijfel doet niets af aan wat het café wél bewijst: dat de grootste omwentelingen van de twintigste eeuw zich voorbereidden in een stad die haar tijd besteedde aan marmertafeltjes, kranten aan stokken en gesprekken die geen haast kenden. Verval en verfijning zaten hier letterlijk aan hetzelfde tafeltje.

Misschien is dat de echte les van Wenen, meer dan van Klimt zelf: decadentie is geen verloochening van het leven, maar de meest geconcentreerde vorm ervan, precies zoals een botrytis-druif de meest geconcentreerde vorm van een druif is, gerimpeld en lelijk en onbetaalbaar zoet. Een cultuur die weet dat ze sterft, kan twee dingen doen. Ze kan panikeren, of ze kan, zoals Wenen deed, haar koffie langzamer drinken en haar goud dikker aanbrengen. Het is geen moed, precies, en ook geen wijsheid. Het is iets kleiner en menselijker: het besluit om, terwijl het licht wegvalt, tenminste de kamer nog mooi te maken.

Ik betaal mijn glas wijn en loop de regen in, langs gevels die zichzelf nog altijd voordoen als 1900. Iemand vertelde mij ooit dat een glas wijn zijn beste moment bereikt net voordat het omvalt, in die fractie van een seconde waarin de vloeistof nog compleet is, maar de val al onafwendbaar. Ik weet niet of dat waar is, of het niet gewoon een mooie leugen is die wijnliefhebbers elkaar doorgeven om het drinken betekenisvoller te maken.

Maar terwijl ik door de Herrengasse loop, met de smaak van witte peper nog in mijn mond en het beeld van verdwijnende vrouwen in bladgoud nog achter mijn ogen, denk ik dat Wenen precies dat glas is. Nog niet gebroken. Nog niet gemorst. Alleen maar, voor heel even, onmogelijk vol.

Rudi D’Hauwers

AI-optimist ⎥ Senior wine writer ⎥ Columnist ⎥ Contemporary art lover ⎥ Geograaf

De columns van Dwaalwegen zijn geschreven met behulp van AI. Elk stuk ontstaat in dialoog: mijn ideeën, ervaringen en inzichten vormen het vertrekpunt, AI helpt bij het uitwerken en verwoorden. De eindredactie gebeurt dan weer door mezelf. Het resultaat is een samenwerking tussen menselijke nieuwsgierigheid en technologische mogelijkheden.

Read the original on dwaalwegen.substack.com

Comments

Nothing yet. Say the first thing.

    Sign in to join the conversation.