RSS Amplifier

De vierde versie · Jul 10, 2026

Verdorie, dat zou weleens een eenhoorn kunnen zijn

0
Sign in to vote or save

Peter Zantingh · De vierde versie

Een deel van de door de versnipperaar gehaalde tweede versie van mijn manuscript. Staat het woord ‘kredietverstrekkers’ ook in de definitieve versie? Bestel mijn nieuwe roman alvast en je weet het als een van de eersten.

Ruim een jaar nu schrijf ik aan wat mijn vijfde roman moet worden. Ondertussen houd ik een schrijfdagboek bij – ideeën, gedachten over hoe ik ervoor sta, geneuzel en aanstellerij. Eerder deelde ik al passages daaruit in mijn nieuwsbrief (zie onder). Dit is het vervolg, over de lente van 2026, waarin ik na een research-tripje en wat tegenslag aan de derde versie werkte.

Toen de boot naar Vlieland vanmiddag aanmeerde herkende ik de bankjes langs het water, ik zag meteen de scène voor me die ik hier laat plaatsvinden. We voeren erop af, op die fictieve avond die in mijn manuscript staat.

Nu is het avond en zit ik er. Steenkoud natuurlijk, en donker. De enige verlichting langs de waterlijn komt van een soort stenen paddenstoelen die tussen de bankjes staan. Er is zo’n drie, vier meter tussen het water en mij. Rechts, schuin voor me, strooit de vuurtoren zijn licht uit. Het water klotst harder en speelser dan ik zou verwachten, soms hoor ik de dikke druppels die hoog zijn opgespat en weer neerkomen. Tot net voorbij de bankjes liggen schelpenscherven – zou het water soms zo hoog staan dat het tot hier komt? Ik neem een ruw, bronsrood steentje mee.

Rond kwart over een vanmiddag was het idee om nog even met z’n vieren langs de vloedlijn te lopen. Mijn personages lopen daar ook, over dat strand, bij deze tent steken ze over om via de Badweg naar het dorp te gaan, maar hoe het is en klinkt en voelt en ruikt daar langs het water in februari: dat heb ik nog niet kunnen onderzoeken. Man, wat een wind. Het zand waaide ons in de ogen, het was niet te doen, Esper zocht dekking onder de vlonder van de strandtent. Zoveel wind staat er niet in mijn boek. Het stoof op en woei als wolken om ons heen, sloeg ons in het gezicht, dwong ons onze woorden direct weer in te slikken. De enige kant die we op konden, was die van de fietsen.

De uitgeverij is er nog niet weg van. “We denken wel te zien wat je probeert met het boek”, mailde mijn redacteur vanochtend, “maar lopen er ook tegenaan dat het nog niet goed genoeg werkt, wat ons betreft. Werk aan de winkel dus. Laten we dit binnenkort mondeling doornemen, dan komen we vast op een plan over ​hoe nu verder.”

Dit is een terugslag, zonder meer. Ik verwachtte echt geen laaiend enthousiast onthaal, maar wel een waarderende knik, een ‘zin om hier verder met jou aan te werken’. Dat staat er nu niet eens. Heb ik wel genoeg aan die vijf weken schrijfverlof in mei en juni? Of is het probleem echt groter, is er meer tijd nodig? Gaat het pas in 2027 verschijnen?

Ik dronk vanmiddag koffie met Lisa, mijn Duitse vertaler die even in Nederland is. Ik vertelde over mijn boek en werd er toch weer enthousiast van. Dat is dus, gelukkig, niet zomaar weg.

Tijdens het gesprek met Daniël en Marscha van Das Mag over wat er beter moet zei ik dat ze dingen opnoemden die ik zo kan oplossen, dingen die me hoofdbrekens zouden kosten maar waar ik vast iets op kon bedenken, én dingen waardoor ik dacht: laat maar, ik leg het het liefst in een la en kijk er niet meer naar.

Een collega vroeg naar mijn boek, de voortgang, en zo kwam het gesprek op hoe Das Mag had gereageerd en hoe ik me daarover voelde. Uiteindelijk gaat het erom, concludeerden we, dat iemand ziet wat je probeert. Zo kwam ik bij dat citaat van The National-zanger Matt Berninger over de eenhoorn dat ik tien jaar geleden las bij The Creative Independent, en waar ik nog af en toe aan denk. Ik kort ’m lichtjes in:

If you’re doing anything artsy, the rest of the world’s job is to say whether it’s any good or not. Because you’re making art. You’re trying to be a magician. You’re trying to be an illusionist, you’re trying to create a unicorn. If you put out something that’s like just a horn taped to a goat, people are going to say, “Nah, that’s not a fucking unicorn, man,” but occasionally it’s like, “Holy shit.” People are going to tell you you suck most of the time, but sometimes people might be like, “I don’t know man. That might be a fucking unicorn.”

Dat is het. Als je kunst maakt, iets creatiefs maakt, dan is dit waar je op hoopt: dat je een hoorn op een geit plakt en dat iemand het zíét, wat je het wil laten zijn. Dat de ander zegt: verdorie, volgens mij is dat een eenhoorn.

Tijdens een nieuw gesprek met Das Mag kwamen we dichter bij mogelijke oplossingen. Verhaallijnen schrappen, duidelijker maken wat er op het spel staat, waar de spanning zit. En ik dacht aan iets wat ik in juni vorig jaar al ergens noteerde: dat idee van een roman in snapshots, in blokken. Klik, een nieuw beeld, witregel, klik, een nieuw beeld. Witregels duiden op een perspectiefwisseling of verstreken tijd, die een minuut kan zijn, of meerdere jaren. Daar voel ik nog steeds voor.

Versie drie, schrijfdag één. Ik zit alweer te rekenen met het aantal schrijfdagen en de woordenaantallen per dag, maar wil mezelf niet steeds dwingen om nét iets sneller te gaan dan ik ga. Vertel het verhaal gewoon opnieuw, herzie het, laat het verhaal het tempo afdwingen. Zoek niet steeds afleiding, olifantenpaadjes, ​quick fixes​. Ik moet mezelf eraan herinneren dat ik een versie wil maken die aanzienlijk beter is dan de vorige. Dat is wat anders dan dat het nu in één keer helemaal goed moet zijn. Ik moet tevreden zijn als eind juni de conclusie is dat het een grote stap vooruit is, ook al zal er ook dan nog werk te verzetten zijn.

Ik heb Esper naar zijn schoolkamp gebracht, een dag in de bossen van Zeist, en ben zelf bij 30ML in het centrum van het stadje gaan zitten, aan het Emmaplein. Het blad is weer leeg, een nieuw hoofdstuk dat vandaag heropgebouwd moet worden. Ik denk aan het liedje ‘Benauwd’ van Het Zesde Metaal.

Ik ben benauwd voor mijn wekker
Ik ben benauwd voor ’t witte blad
Dus trek ik de eerste uit de stekker
Ik maak niets af. Ik leef in ’t klad

Wat helpt om van dat idee van het ‘witte blad’ af te komen is elke dag beginnen met teruglezen wat ik al heb, een beetje vrijblijvend redigeren van vorige hoofdstukken. Dat is de beste manier om het allemaal weer in de vingers te krijgen, te begrijpen wat ik ook alweer aan het doen ben en waarom ik erom geef.

Moe. Gevoel over roman 5, momenteel: aarzeling, zelfkritiek, een wat beangstigende weerstand tegen mijn eigen stijl, dat ik die zat ben, mezelf er al mee zie aankomen, heb je hem weer met z’n half-poëtische nuchterheid. Het autootje reed vrij soepel door dat eerste deel van de derde versie maar nu ben ik, ​kloenk​, een greppel ingereden. Moe van het eindeloos nadenken over zinnen en volgorde en rondjes draaien in mijn gemankeerde schrijvershoofd. De fik erin.

Terwijl ik Ilvy voorlas voordat ze ging slapen realiseerde ik me dat ik die momenten te weinig echt beleef. Altijd bezig met het volgende, wat hierna nog, wat moet ik morgen? Mijn tijdsbeleving heeft de hik, ik maak steeds van die hinderlijke sprongetjes vooruit. Ik keek opzij naar het meisje naast me in het kleine bed, we lagen op haar grote knuffels.

Ik zak steeds weg in dat boek. Wat ik wil terugkrijgen, is dat gevoel van ik heb iets, wacht maar. Creatief kapitaal. Dat is nu weg en dat maakt het moeilijk. Het is een bak modder waar ik diamantjes in dacht te kunnen vinden, en mijn angst is dat ik uiteindelijk toch weer die bak modder inlever.

Afgaande op het aantal schrijfdagen van dit verlof zit ik nu op de helft: tien gehad, nog tien te gaan. Vrijdag was een goede schrijfdag, misschien wel de beste, omdat ik van een scène die te nietsig was, vooral bedoeld om heel werktuiglijk plotelementen opnieuw in gang te zetten, iets spannends maakte. Klein, maar wel wezenlijk, en met de potentie tot uitbreiding. Ik heb nu 23.000 woorden. Daar staat tegenover dat ik in dat midden zit: niet meer de snelheid en energie waarmee je uit de startblokken gaat, ook nog niet de eindstreep in zicht.

Sinds ik aan dit boek begon, al die tijd want hoewel in het verhaal zelf veel veranderde en ik allerlei dingen uitprobeerde en weer verwierp al die tijd had ik in mijn hoofd het idee van een heel zuiver, op míjn manier geschreven boek, een boek van zinnen. Over de onconventionele, naamloze liefde tussen twee mensen, in een heldere taal, mijn eigen taal. Een boek dat raakt maar ook grappig is.

Dat is veel, een ​big ask, maar ik snak er echt naar dat anderen dat er ook in zien. Met de vorige versie kreeg ik dat niet voor elkaar, en dat is wat ik onder ogen heb moeten zien de afgelopen tijd. Niet altijd makkelijk was dat. En daar moet ik bij zeggen dat ik zelf ook best geschrokken ben toen ik sommige delen teruglas, zeker richting het einde. Het wás nog niet goed.

De derde versie is af. Ongeveer eenderde korter dan de tweede versie, met meer focus. Een opzet, bovendien, denk ik, waarbij inhoud en vorm elkaar versterken. Ach ja, wat weet ik ervan, op dit moment. Toch denk ik: dit ís een stap vooruit. Is een definitieve versie in zicht? Dat is een heel andere vraag, en ik weet simpelweg het antwoord niet. I’ve been wrong before. Maar deze horde is genomen.

Het is misschien alsof ik er weinig lol in heb, als ik het zo lusteloos opschrijf, maar dat is niet zo. Ik heb ook weer plezier beleefd aan het schrijven, aan een goede zin zien ontstaan, de onderdelen in elkaar zien klikken, poetsen, poetsen tot het blinkt. Het is soms moeilijk om zelfs mezelf ervan te overtuigen, maar het is het allemaal waard.

Verdorie, dat zou weleens een eenhoorn kunnen zijn

Read the original on devierdeversie.substack.com

Comments

Nothing yet. Say the first thing.

    Sign in to join the conversation.