In Truth Is The Arrow, Mercy Is the Bow (2024), een boek met essays over schrijven van Steve Almond, stelt hij dat er twee manieren zijn om een verhaal te beginnen.
Je kunt je lezer met wat verleidelijke praatjes en valse beloftes in de achterbak van een auto duwen – meekomen. Of je kunt het tegenovergestelde doen: bij de geopende deur van een glimmende auto gaan staan, de weg belooft naar een bijzondere ervaring te leiden, en je schudt meewarig je hoofd bij de gedachte dat de lezer de reis aan zich voorbij zou laten gaan. Your loss.
In het essay dat erop volgt gaat het over de verteller. Almond betoogt dat filmcultuur de schrijvers van nu heeft geleerd dat ze het nadenken over wie de verteller is kunnen overslaan. Plot, personages en setting worden niet verteld; ze komen voort uit beeld, uit een shot, een gezichtsuitdrukking, een interieur, een in- of uitzoomen. Ze behoeven daarom weinig tot geen taal, want een heel team van mensen, met allemaal een eigen expertise, heeft ervoor gezorgd dat het er precies zó uitziet en de kijker het dus zó interpreteert.
Een ‘verteller’ is daardoor overbodig: alles is gewoon te zien en te horen.
De auteur heeft al die mogelijkheden niet, terwijl hedendaagse beginnende schrijvers wel door die filmcultuur gevormd zijn, zegt Almond. Dat maakt ze onzeker, waardoor ze meer gaan schrijven alsof ze een film navertellen. Een verteller introduceren ze niet, de setting neerzetten slaan ze over. Hup, meteen naar de actie.
Met andere woorden: de lezer geblinddoekt in de achterbak gooien.
Maar als je geen verteller opvoert, niet de tijd neemt om met je eigen vertelstem rustig te zeggen waar dit verhaal zich afspeelt, en wanneer, en over wie het gaat, dan moet je al die informatie overbrengen door het je personages te laten denken of te laten zeggen. Dat wordt al snel gekunsteld. Je personages, zegt Almond, worden ‘ongeloofwaardige en inefficiënte vertelinstrumenten’.
Hij pleit dus voor een verteller die zelfverzekerd en zonder zichzelf volledig weg te cijferen het verhaal vertelt, en daar de tijd voor neemt.
Dat is wat Thomas Mann op de eerste pagina van De toverberg doet. Meteen in de eerste alinea leren we niet alleen hoofdpersoon Hans Castorp kennen, maar ook de naamloze en onzichtbare verteller en hoe die twee zich tot elkaar verhouden.
Het verhaal over Hans Castorp dat we gaan vertellen – niet vanwege Hans Castorp zelf (want de lezer zal hem leren kennen als een eenvoudige, zij het ook innemende jongeman), maar vanwege het verhaal, dat ons zeer het vertellen waard lijkt (waarbij ten gunste van Hans Castorp moet worden opgemerkt dat het zíjn verhaal is en dat niet iedereen elk verhaal overkomt) – dit verhaal dus dateert van heel lang geleden, het is zogezegd al helemaal met een historisch patina overtrokken en moet absoluut worden verteld in de tijdvorm van het verste verleden.
Dus we hebben Hans Castorp, een eenvoudige, innemende jongeman die iets bijzonders gaat meemaken wat de lezer niet wil missen.
En we hebben de verteller, die tot ons spreekt vanuit een anoniem ‘we’. Onzichtbaar, vaag, maar – zo begrijpen we ook meteen – niet zonder een eigen subjectieve kijk op het verhaal. Het lijkt deze ‘we’ namelijk zeer het vertellen waard, en het ‘moet’ op deze en deze manier worden verteld. Een zekere visie heeft de verteller dus; het is een entiteit die er recht voor uitkomt dat die de lezer gedachten en zelfs levenslessen te bieden heeft. Deze verteller zal zichzelf niet wegcijferen, niet louter registreren en ‘de camera’ het werk laten doen.1
Over de identiteit van deze ‘we’ komen we weinig te weten. Is het Thomas Mann zelf, die zich van een soort koninklijk meervoud bedient? Het is verleidelijk om dat te denken, want dan zou het betekenen dat Mann ons, de lezers, rechtstreeks en onomwonden kan vertellen hoe we Hans Castorp moeten zien.
Dat blijkt al uit die eerste alinea’s, maar ook later, als er herhaaldelijk staat dat Hans Castorp een ‘simpele ziel’ is. De toon is vaderlijk, aai-over-de-bol-esque, het gaat soms van tut, tut, jongen toch.
Ik begrijp het ook wel als lezers zich daaraan ergeren: mogen wij misschien zelf uitmaken of we Hans Castorp een simpele ziel vinden?
In een recente aflevering van podcast Drie boeken koos de Vlaamse actrice Marie Vinck De toverberg als een van de drie boeken die je volgens haar gelezen moet hebben. In het gesprek erover met host Wim Oosterlinck zei ze dat Mann wel ‘een beetje neerkijkt’ op zijn personage. En in NRC schreef Bas Heijne een paar jaar terug ook zoiets, waarbij hij dan weer Vladimir Nabokov aanhaalde, die Mann ‘een aantal malen fel bekritiseerde’:
Nabokov beschouwde de schrijver Mann [...] als een fake-figuur – een uitzonderlijk breedsprakig schrijver die over de hoofden van zijn personages heen schreef. Anders dan Mann zelf wilde geloven, kwamen zijn personages volgens Nabokov niet tot leven, maar volgden braaf het geestelijke parcours dat hun auteur voor hen had uitgestippeld, onderworpen aan de onthechte blik van hun schepper, die vanaf Olympische hoogte op hen neerkeek.
Maar. De verteller van een boek is wat anders dan de auteur van een boek. In Truth Is The Arrow, Mercy Is the Bow schrijft Steve Almond:
By narrator I do not mean author. The author exists outside the text. He or she deploys the narrator, who lives within the text. […] Regardless of genre or point of view, the narrator’s purpose is the same – to act as the ultimate showrunner. To set out for the reader the story’s logical flow, the relevant histories, natures and motives of the characters, the prevailing properties and customs of the world in question, and certain insights into human nature, traceable to the author.
Daar kan de auteur vervolgens natuurlijk een spel mee spelen. Lekker schuilgaan achter het masker van ‘de verteller’ en ondertussen je eigen denkbeelden en interpretaties aan de lezer opleggen.
Toch is het vernuftiger dan dat, vind ik. Mann’s verteller kan meekijken in het hoofd van Hans Castorp, ons zeggen wat de jongeman denkt. Maar dat gebruikt Mann niet alleen maar om als een puppet master boven hem te hangen.
In passages waarin zij voorkomen kan de verteller ons óók zeggen wat Hans’ neef Joachim (die ook in het sanatorium verblijft) en oom James Tienappel (die langskomt voor een kort bezoek) denken. Dat zijn drie familieleden uit het laagland, terwijl de verteller ons juist nooit toont wat er in het hoofd omgaat van Settembrini, Naphta, madame Chauchat, kamerheer Behrens of andere sanatoriumbewoners.
In die hoofden kan hij niet kruipen. Dat houdt hen mysterieus en dwingt de lezer dezelfde positie in te nemen als Hans: hij moet die andere, vreemde, intrigerende sanatoriumbewoners interpreteren, kan naar hen luisteren, van hen leren, maar hen nooit van binnen kennen. De ‘we’ wordt zo ook een beetje ‘wij, de lezers’.
Vaarwel, Hans Castorp, trouwhartig zorgenkind van het leven!
Aan het staat Thomas Mann zijn verteller toe wat sentimenteel te worden.
Je verhaal is uit. Ten eind toe hebben we het verteld; het is ons niet kort gevallen, noch lang, het was een hermetisch verhaal. We hebben het verteld om het verhaal zelf, niet om jou, want jij was een simpele ziel. Maar uiteindelijk was het jouw verhaal; doordat het jou overkwam, moest je wel slimmer zijn dan je eruitzag, en we willen geen geheim maken van de pedagogische genegenheid die we in het verloop van het verhaal voor je hebben opgevat en die ons ertoe zou kunnen brengen met de vingertop onze ooghoek te betten bij de gedachte dat we je in de toekomst horen noch zien zullen.
Ook hier schrijft hij de lezer te veel voor wat hij of zij moet voelen; je kunt je beroofd voelen van je eigen slotindruk. Maar zo las ik het toch niet. Ik las Mann die, ruim tien jaar nadat hij eraan begon en daarmee ‘zijn’ Hans Castorp leerde kennen, zelf ook afscheid moest nemen. Zijn boek was af.
Mann schreef het eerste deel van De toverberg, met de aankomst van Hans Castorp in het sanatorium, vóór de Eerste Wereldoorlog, en de rest in de jaren erna. Logisch dus dat hij niet door de filmindustrie beïnvloed werd, maar je begrijpt wat ik bedoel.

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.