RSS Amplifier

De vierde versie · Apr 17, 2026

Een goed idee is een ongewone combinatie van twee gewone dingen

0
Sign in to vote or save

Peter Zantingh · De vierde versie

Een scène bij ons thuis, een tijd terug.

We zaten aan de ontbijttafel en het ging over de ‘kletskous’. Dat was iets wat ze in de kleuterklas van mijn zoontje Esper deden: alle kinderen mogen dan een sok1 meenemen met daarin drie dingen die bij hen horen. Elke schooldag laat iemand in de kring zien wat er in zijn of haar sok zit, en waarom. Zo leren ze elkaar beter kennen én oefenen ze met het vertellen van een verhaal.

‘Wat stop jij in die sok?’ vroeg ik.

Hij dacht na, keek om zich heen, zag de bak met nootjes op tafel staan en zei: ‘Een nootje.’

Ja zeg, wilde ik antwoorden, je noemt gewoon het eerste op wat je ziet. Kom op, denk er iets beter over na.

Maar hij ging erop door. Dan kan ik vertellen, zei hij, dat we ’s ochtends altijd havermoutpap met fruit en noten eten. Hij keek naar Ilvy, zijn zusje van toen anderhalf, en zei: en dat Ilvy geen hele nootjes mag omdat ze zich kan verslikken, en dan kan ik meteen nog iets meer vertellen over haar.

Verdorie, dacht ik, dit is nog een goed idee ook. Eén hazelnootje en hij kan ons vaste ochtendritueel én de hele gezinssituatie bij hem thuis uit de doeken doen.

Met bovenstaand anekdote’tje begint ook de zevendelige cursusnieuwsbrief die ik voor NRC maakte. Hoe schrijf je een goed verhaal, heet de cursus, ‘voor beginnende schrijvers die met concrete tips en voorbeelden op weg geholpen willen worden’. Plus-abonnees kunnen zich er gratis voor inschrijven en dan krijgen ze elke week één les, zeven weken lang dus, om van idee naar afgerond verhaal te komen.

Van de week las ik wat meer over hoe een goed idee ontstaat, en toen moest ik weer denken aan dat gesprekje. Het nootje én de doordeweekse ochtend: dat leidde aan die ontbijttafel al tot iets groters. Het nootje én Espers zusje: daar ontstond ook een verhaal uit.

Het blijkt combinatorial creativity te heten, of bisociaton: de theorie dat een goed idee vaak niet meer is dan het aan elkaar verbinden van twee schijnbaar ongerelateerde dingen.

‘An idea is nothing more nor less than a new combination of old elements’, schreef James Webb Young in A Technique for Producing Ideas, dat in 1939 verscheen. Young was een Amerikaanse reclameman, een Mad Men-achtig type, maar zijn gedachten over creativiteit zijn breder toepasbaar en hadden invloed op latere denkers op dit gebied.

De term bisociation is gemunt door Arthur Koestler, een Oostenrijks-Hongaarse schrijver en journalist die in het naoorlogse Parijs van 1949 eens op één avond een glas naar Jean-Paul Sartre gooide én Albert Camus een blauw oog bezorgde. Waarvan akte, weet niet wat zij hem geflikt hadden, er schijnt flink bij gedronken te zijn. Doet er verder ook niet toe. Koestler schreef The Act of Creation (1964), zijn poging het proces van menselijke creativiteit te doorgronden. Fundamenteel daarin is wat hij dus bisociation noemt: niet slechts associatie het een doet denken aan het ander maar het samenbrengen en tot iets nieuws smelten van twee (of meer) dingen uit ogenschijnlijk onverenigbare denkkaders of matrices.

Klinkt vrij theoretisch, maar ik denk dat veel schrijvers en andere creatieve mensen dit eigenlijk, grotendeels onbewust, al doen.

Op haar populaire blog The Marginalian (vroeger heette het Brain Pickings) onderscheidde Maria Popova eens vijf stappen om aan de hand van de theorie van Young tot goede ideeën te komen.

Hier komt het op neer: eerst verzamel je ‘ruw materiaal’ (1), dan geef je jezelf de tijd het nieuwsgierig te bekijken, van meerdere kanten, ermee te puzzelen (2). Dan vertrouw je op je onderbewuste om, terwijl je iets heel anders doet, onverwachte verbindingen te leggen (3). Als je het het minst verwacht, zoals midden in de nacht of onder de douche of tijdens het scheren, komt ineens het idee in je op (4). Dat je vervolgens tegen het daglicht houdt (5): is het écht een goed idee?

Een poster voor een expositie van de Index of American Design (1936) en drie van de werken uit die tijd. Met de klok mee: een ladekast, door Ferdinand Cartier; een oorbel, door Tulita Westfall; een geweven sprei, door Gladys C. Parker. Een poster voor een expositie van de Index of American Design (1936) en drie van de werken uit die tijd. Met de klok mee: een ladekast, door Ferdinand Cartier; een oorbel, door Tulita Westfall; een geweven sprei, door Gladys C. Parker. Een poster voor een expositie van de Index of American Design (1936) en drie van de werken uit die tijd. Met de klok mee: een ladekast, door Ferdinand Cartier; een oorbel, door Tulita Westfall; een geweven sprei, door Gladys C. Parker.
Een ladekast (Ferdinand Cartier), een oorbel (Tulita Westfall) en een geweven sprei (Gladys C. Parker)

Zo gaat het bij mij ook ongeveer. Het ‘ruwe materiaal’ verzamel ik in mijn dagboek, waar ik veel gedachten en observaties in opschrijf, en in Google Keep, waar het vaak bij halve ingevingen of wat losse woorden blijft. (Ik denk nóóit ‘dit onthoud ik wel’, want dat is niet zo, ik vergeet het geheid weer.) Regelmatig levert het een curieus lijstje met losse termen op. Railing dakterras, Moon Safari, stoelriemen vast, buurman Ritmeester van vroeger, net gedoofde lucifer, Ameland, sideboob.

(Toen ik een jaren geleden voor de krant Spinvis interviewde, zei hij dat hij ook zo’n soort lijstje in z’n telefoon had staan. Ik vroeg hem wat daar op dat moment in stond. Hij las voor: Ruimtevaartschipper. Alles in blauw. Regen prevelt. Wat de kat ziet. Ik doe mijn eigen stunts.)

Ik merk zelf dat in het begin ook wel al iets met kritieke massa nodig is. Waar gaat wat je wil maken over, in de kern? Als je dat in een paar woorden kunt vatten, helpt dat. Dan kun je de dingen van je lijstje ermee (en met elkaar) proberen te laten praten om af te wachten wat eruit voortkomt. De rol van toeval + de railing van een dakterras. De zorg voor een geliefde + Ameland. Moon Safari + sideboob. Kijk, daar gebeurt al iets.

Bij mijn derde roman Na Mattias (2018) was die kern hoe de dood onze levens vormt. Dat was zwaar en groot genoeg om andere, kleinere ideeën aan op te hangen en te kijken welke onverwachte verbanden ze dan aangingen. Een zin uit een liedje dat ik veel luisterde schreef ik op, een voorval van jaren terug, iets wat ik op straat of op tv had gehoord. Steeds leverde zo’n combinatie me een nieuw idee voor een personage of een scène op. Soms klein, soms groter. En lang niet altijd bruikbaar, maar ook dat hoort erbij.

Zo ging het denken door. Steeds bleven nieuwe dingen als vanzelf aan mijn basisidee kleven, als een kleine sneeuwbal die bovenaan de berg begint te rollen en eenmaal beneden een stuk groter geworden is.

Share

1

Ik zocht een plaatje van een sok om boven deze nieuwsbrief te zetten en vond na wat zoeken de tekening die er nu boven staat. Die bleek onderdeel van een collectie van 18.257 waterverftekeningen, gemaakt door meer dan duizend kunstenaars en illustratoren voor een kunstproject van de Amerikaanse overheid ten tijde van de Great Depression. Het doel was het vastleggen van de esthetiek van alledaagse dingen uit het oude Amerika. Wat een bijzonder project! Had er nog nooit van gehoord. De plaatjes verderop in de nieuwsbrief zijn er ook onderdeel van.

Read the original on devierdeversie.substack.com

Comments

Nothing yet. Say the first thing.

    Sign in to join the conversation.