Welkom bij Brieven van C.S. Lewis. Elke maand delen we wijsheid uit de geschreven brieven Lewis. Zijn hele leven schreef hij brieven aan vrienden, zijn ouders, kinderen, collega’s en aan studenten.
In de komende maanden nemen hedendaagse denkers je mee in een brief van Lewis die zij zelf selecteren. Ze reflecteren op de tekst en vertellen welke zeggingskracht Lewis’ woorden hebben voor de tijd van nu. We delen ook de tekst van de brief met je, zodat je zelf de waarde van de brieven van Lewis kunt ontdekken.
Bijna tachtig jaar nadat zijn werk in Nederland begon te verschijnen lijkt de reputatie van C. S. Lewis onverwoestbaar. Er is wel verschil met eerdere golven en vormen van belangstelling voor zijn werk. Tijd voor een terugblik.
C. S. Lewis bereikte voor het eerst een Nederlands publiek via de Amsterdamse uitgeverij W. ten Have, een voortzetting van de negentiende-eeuwse rechtzinnig-protestantse uitgeverij Höveker & Wormser. In 1947 verscheen hier Brieven uit de hel, een vertaling van The Screwtape Letters. Met dit boekje, oorspronkelijk een feuilleton, was Lewis tijdens de oorlog in Engeland en daarna ook in de Verenigde Staten vrij plotseling een bekende christelijke schrijver geworden. Het is een serie brieven van een senior duivel die een junior duivel leert mensen op het slechte pad te brengen, of in termen van deze instructies: het goede pad. Ook in Nederland sloeg het onmiddellijk aan. In een korte inleiding (herdrukt tot 1965) sprak A. W. Kist, ‘directeur der Stichting „Kerk en Wereld”’, over Lewis’ ‘levend geloof en grote denkkracht’ en de ‘nieuwe en verrassende wijze’ waarop hij ‘de inhoud en betekenis van het Christelijk geloof levend maakt.’
Ten Have bracht al vlug een aantal andere titels van Lewis uit, waaronder de radiolezingen waarmee hij tijdens de oorlog een enorm publiek had bereikt, later herzien en gebundeld onder de titel Mere Christianity (Onversneden christendom). Maar net als in de Engelstalige wereld zou de naam C. S. Lewis tot lang na zijn dood vooral of uitsluitend verbonden blijven met Brieven uit de hel. Het boek is tot op vandaag vrijwel onafgebroken in de handel gebleven.
Vreemd genoeg verscheen in datzelfde jaar 1947 een andere vertaling van de “Brieven van Screwtape” (onder deze titel) als feuilleton in het katholieke dagblad De Tijd. Wisten De Tijd en Ten Have van elkaars plannen? Dat valt te betwijfelen. Aan Lewis met zijn boodschap van ‘onversneden christendom’ en een kerk van alle tijden heeft het niet gelegen. Hij gaf het boek juist met opzet twee min of meer gelijkluidende motto’s uit de Reformatietijd: één van de kerkhervormer Maarten Luther en één van de Roomse Thomas More. De ‘katholieke’ Screwtape-vertaling is in de vergetelheid geraakt. Maar het dubbele Nederlandse debuut van Lewis lijkt een bijzonder staaltje van verzuiling.
Daarna volgden in de loop van vijftien jaren nog heel wat andere Lewis-vertalingen. Het publicitaire succes van het begin werd nooit geëvenaard. Vanaf het sterfjaar van Lewis, 1963, deed Ten Have weinig anders met zijn Lewisfonds dan af en toe een titel uit de begintijd herdrukken – gewoonlijk Brieven uit de hel. 1963 was ook het jaar van John Robinson en zijn Honest to God, een modern-theologische knuppel in het hoenderhok die datzelfde jaar bij Ten Have verscheen als Eerlijk voor God. Ten Have profileerde zich meer en meer als uitgever van vrijzinnige theologie, met als klapstuk de verkoopsuccessen van Harry Kuitert in de jaren ’90. Lewis werd een vreemde eend in de bijt.
Narnia was een fiasco
Waar vandaag de naam “Lewis” valt, gaat het gewoonlijk al vlug over Narnia, over Tolkien en over films, en vaak over weinig anders. In de eerste decennia na Lewis’ doorbraak tot een groot publiek was dat niet het geval – in de Engelstalige wereld niet, en in Nederland nog minder. Zijn zeven kinderboeken over het fantasieland Narnia verschenen in de jaren 1950-1956. In Engeland waren ze een succes. Maar het gangbare beeld van Lewis werd tot lang na zijn dood niet beheerst door Narnia. Zo meldde een rubriek voor gedenkdagen in The Times nog in 1985 zijn sterfdag op 22 november als volgt: ‘C. S. Lewis, writer, author of The Screwtape Letters, Oxford, 1963.’ De wending naar een ‘Narniocentrische’ Lewis, in Nederland en elders, kwam pas in 2005 met de verfilming van The Lion, the Witch and the Wardrobe. De link met Tolkien lag voor de hand, want in 2001-2003 was The Lord of the Rings verfilmd, en Lewis was als vriend van Tolkien nauw betrokken geweest bij het ontstaan van diens meesterwerk.
De Narniaserie verscheen in 1956-59 in het Nederlands, maar niet bij Ten Have. En de vertaling was erg slecht; daar waren alle recensenten het over eens. Ook moet de oplage klein zijn geweest, want tweedehands exemplaren zie je zelden. Niets wijst erop dat Godfried Bomans ooit van Lewis heeft gehoord – maar hoe zou het gelopen zijn als hij zich op die vertaling had geworpen? Een heruitgave in vier banden met gemoderniseerde omslagen in de jaren ’70 kreeg misschien iets meer verspreiding. Maar al met al was de introductie van Narnia in Nederland een fiasco. In de jaren 1983-1993 verscheen alsnog een goede vertaling van de complete serie, en in 2021-2022 opnieuw.
‘De belangstelling voor Lewis is tanende’
Lewis bleef in Nederland nog lange tijd ongeveer zo functioneren als A. W. Kist het zich in 1947 had voorgesteld – als een ongemeen heldere en inspirerende verkondiger van een expliciet christelijke boodschap. Alleen: Ten Have zag Lewis op den duur niet meer zitten. In 1986 vertaalde ik voor het eerst iets van Lewis, namelijk The Abolition of Man, en belde Ten Have om te vragen of daar interesse voor was. Die was er niet. ‘De belangstelling voor Lewis is tanende’, meldde directeur Ton van der Worp.
Dit heb ik nooit goed begrepen. Een paar jaar eerder had de Evangelische Hogeschool in Amersfoort een jubileumnummer van haar tijdschrift Bijbel en Wetenschap gewijd aan C. S. Lewis. In een inleidend overzicht van het werk van Lewis bracht Willem Ouweneel, want zo ging dat toen, pas aan het einde de Narniaboeken even ter sprake. Hij meldde onder meer dat er een betere vertaling van die boeken in de maak was, en inderdaad verscheen een jaar later het eerste deel. Als “EH-special” bevatte dit nummer de door Ouweneel bewerkte en verkorte tekst van Gods megafoon, de toen 25 jaar oude maar nooit herdrukte vertaling van The Problem of Pain. In 1987 begon uitgeverij Van Wijnen, de kersverse reïncarnatie van Wever in Franeker, zich te roeren als nieuwe Lewis-uitgever. De daarmee ingezette lijn wordt voortgezet tot op vandaag.
Lewis blijkt populair van evangelisch tot katholiek
Uitgeverij Kok in Kampen kreeg in de jaren ’90 ook interesse voor Lewis en zelfs voor mijn tien jaar eerder gemaakte vertaling: De afschaffing van de mens. Dit puur filosofische werkje verscheen in 1997 aanvankelijk – tegen mijn uitdrukkelijk advies – in het “evangelische” fonds Kok-Voorhoeve. Ik werkte rond die tijd in een academische boekhandel, en sprak daar geregeld de vertegenwoordigster van Ten Have. Zij vertelde me dat Lewis voor Ten Have eigenlijk alleen nog van belang was omdat hij hun “enige lijntje met de evangelische boekhandel” vormde. Bij de publiciteit rond de honderdste verjaardag van Lewis in 1998 bleek intussen dat de katholieke aartsbisschop Simonis graag een duit in het zakje deed. Kok had als beginnend Lewis-uitgever het geluk dat Ten Have weldra, onder eenzelfde uitgeversparaplu in Kampen belandde. Het complete Lewisfonds, inclusief Brieven uit de hel en Onversneden christendom, migreerde naar Kok – waar Voorhoeve verder uit beeld bleef. In de loop der jaren werden vrijwel alle boeken van Lewis opnieuw vertaald en ook vrijwel alle onvertaalde boeken die nog in aanmerking kwamen.
Had Van der Worp zich vergist in de Nederlandse Lewismarkt? Het lijkt erop. Maar er moet ook projectie in het spel zijn geweest. Niet de belangstelling van het publiek, maar die van Ten Have was tanende. De uitgeverij stond binnen christelijk Nederland min of meer voor de vrijzinnige tegenpool van wat de Evangelische Hogeschool vertegenwoordigde. C. S. Lewis werd in die tijd vaak in één adem genoemd met Francis Schaeffer.
Het “bijbelgetrouwe” jasje zat Lewis echter ook niet als gegoten. Ouweneel schrapte bij zijn bewerking van Gods megafoon in 1982 bijna alles wat niet strookte met zijn creationistische overtuiging, en in een voetnoot waarschuwde hij voor het “theïstisch evolutionisme” van Lewis. Hij schrapte ook iedere zinspeling op mythen als positief element van Godsopenbaring. Later werd Ouweneel zelf theïstisch evolutionist. En de visie van Lewis op mythen in relatie tot het christelijk geloof lijkt vandaag juist een selling point – getuige de recent vertaalde graphic novel van John Hendrix over Lewis en Tolkien, The Mythmakers, en het enthousiaste onthaal van dat boek in deze krant, in het Reformatorisch Dagblad, in het Katholiek Nieuwsblad, en elders.
Zo is Lewis nu in elk geval de oude verzuiling voorbij. Een nieuw soort verkokering is weliswaar de fixatie van het Lewis-discours op Narnia, op films, en op de Tolkien-connectie. Ook dat zal wellicht vroeg of laat voorbijgaan. De receptiegeschiedenis van C. S. Lewis is een spannend verhaal. Fantasy en populaire theologie schreef Lewis in zijn vrije tijd; eigenlijk was hij fulltime literatuurhistoricus en op dat terrein behoorde hij al in in de jaren ’30 tot de groten van zijn tijd.
Toch was dat niet de baan waar hij aanvankelijk op had gemikt. Als student en werkzoekende streefde hij naar een academische positie als filosoof, had daar ook uitstekende papieren voor en diverse keren was het bijna gelukt. Intussen schreef hij in die tijd een epos in negen zangen waarmee hij een beroemde dichter hoopte te worden. Dat lukte niet, maar poëzie bleef hij altijd schrijven. De man had veel meer in zijn mars dan zelfs menig enthousiaste Lewislezer weet. Misschien zal er ooit belangstelling komen voor de onversneden Lewis.
Dank voor het lezen. Deel dit essay van Arend Smilde.

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.