RSS Amplifier

Arend Jan Boekestijn · Aug 17, 2026

Wanneer is een militaire interventie gerechtvaardigd?

0
Sign in to vote or save

Boekestijn Geopolitics · Arend Jan Boekestijn

Wanneer moet een grootmacht zich mengen in een conflict in een ander land, en wanneer vooral niet? Dat is een vraag die Trump zich had moeten stellen voordat hij Iran aanviel. Als hij wat dieper had nagedacht en zich niet had laten overhalen door Netanyahu, was hij deze oorlog misschien niet begonnen en zouden de Amerikaanse economie en de staatsschuld er een stuk florissanter voorstaan. Om nog maar te zwijgen van al het leed dat onschuldige Iraanse burgers is aangedaan.

De Amerikaanse militairen hadden deze oorlog vermoedelijk ook graag overgeslagen, als we tenminste de verontrustende berichten mogen geloven over de omstandigheden waaronder de bemanning van het vliegdekschip USS Abraham Lincoln moet werken. Er zijn klachten gemeld over voedsel- en voorraadtekorten, problemen met drinkwater en sanitair, uitputting en de mentale gezondheid van de bemanning. Het Pentagon bestrijdt overigens dat de situatie zo ernstig is als sommige berichten suggereren.¹

Het blijft een interessante en zeer actuele vraag. Wanneer moet een grootmacht gaan vechten en wanneer niet?

De Amerikaanse politicoloog Hans J. Morgenthau (1904–1980) schreef daar in april 1967, midden in de Vietnamoorlog, een interessante beschouwing over: To Intervene or Not to Intervene. Foreign Affairs heeft het stuk onlangs opnieuw gepubliceerd.²

Het interessante is dat Morgenthau bepaald niet van het gebroken geweertje was. Hij had geen principiële bezwaren tegen militaire interventie. Integendeel, hij was een van de aartsvaders van het politieke realisme. Staten hebben belangen, beschikken over macht en zullen die macht soms ook buiten hun grenzen gebruiken. Daar is op zichzelf weinig nieuws aan. Interventie, schrijft Morgenthau, is zo oud als de internationale politiek zelf.

Bij Morgenthau staan een paar ideeën centraal die we eerst nodig hebben om zijn redenering te begrijpen. In de eerste plaats, de wereld kent geen regering boven de staten. Staten dus zelf voor hun veiligheid zorg moeten dragen. Dat gaat niet zonder macht. Dat kan militaire macht zijn, maar ook economische macht, diplomatieke invloed of een bondgenootschappen.

Buitenlands beleid moet volgens Morgenthau daarom in de eerste plaats worden beoordeeld vanuit het nationale belang. Goede bedoelingen zijn niet genoeg. Staten moeten rekening houden met machtsverhoudingen, met de reactie van andere staten en vooral met de gevolgen van hun eigen handelen. Vandaar ook het wantrouwen van realisten tegenover kruistochten voor democratie, mensenrechten of andere verheven beginselen. Achter het algemene belang gaat verrassend vaak gewoon het nationale belang schuil.

Morgenthau vatte dit samen in zijn beroemde formulering “interest defined in terms of power”: het nationale belang moet worden begrepen in termen van macht.³ Dat betekent overigens niet dat moraal er niet toe doet. Integendeel. Morgenthau vond dat politici juist moreel verantwoordelijk moesten handelen. Maar een regering mag haar eigen overtuigingen niet zomaar tot universele waarheid verheffen. Een staatsman moet ook vragen: wat gebeurt er als ik dit werkelijk doe? Goede intenties ontslaan je niet van verantwoordelijkheid voor slechte gevolgen.

Het gaat dus niet alleen om overtuigingsethiek — zijn mijn bedoelingen goed? — maar ook om gevolgenethiek: wat richt mijn beleid uiteindelijk aan?

Indien de regering in land X zijn bevolking onderdrukt bepleit een idealist vaak ingrijpen. Morgenthau zou dan eerst een paar hinderlijke vragen stellen. Wat hebben wij daar precies te zoeken? Kunnen wij bereiken wat we beloven? Wat gaat het kosten? Welke tegenreactie lokken we uit? En misschien nog belangrijker: maken we de zaak niet erger?

Voordat we terugkeren naar Morgenthaus artikel is het nuttig hem naast John Mearsheimer en het liberalisme te zetten.

Morgenthau meent dat internationale politiek fundamenteel draait om macht en nationaal belang. Het machtsstreven hangt bij hem mede samen met de menselijke natuur. Mensen hebben een onbedwingbare neiging tot macht en staten worden nu eenmaal door mensen bestuurd. Dat nationale belang staat ook centraal in Morgenthaus In Defense of the National Interest uit 1951.⁴ De titel zegt eigenlijk al genoeg.

Daar houdt echter zijn verhaal niet op. Juist omdat macht zo verleidelijk is, heeft een goede staatsman prudentie nodig. Hij moet belangen, middelen en gevolgen tegen elkaar afwegen. Dat is ook de reden waarom Morgenthau zo fel tegen de Vietnamoorlog was.

Mearsheimer is nog meedogenlozer. Hij is een offensief realist. Bij hem ligt het probleem niet in de eerste plaats in de menselijke natuur, maar in de inrichting van het internationale systeem zelf. Er bestaat immers geen wereldregering die staten kan beschermen. Staten kunnen bovendien nooit volledig zeker weten wat andere staten morgen van plan zijn. Daarom proberen grote mogendheden zoveel mogelijk relatieve macht te verzamelen. Het veiligste wat je uiteindelijk kunt worden is regionale hegemon.⁵ Mearsheimer gaat mij hier te ver. Hij vindt echt dat grote mogendheden elke kans op machtsvergroting met beide handen moeten aangrijpen.

Hier zit voor mij het verschil tussen beide realisten. Morgenthau vertrouwt de menselijke neiging tot macht niet, maar vertrouwt nog wel op verstandig staatsmanschap. Mearsheimer is somberder. Zelfs keurige en vreedzame leiders worden volgens hem door het systeem gedwongen voortdurend naar meer macht te zoeken. Geen wonder dat hij zoveel begrip heeft voor de Russische positie in de oorlog in Oekraïne. Hij vindt gewoon dat de VS zich niet moet mengen in de Russische invloedssfeer. En hij acht, onjuist in mijn ogen, de NAVO uitbreiding als de belangrijkste factor in het veroorzaken van oorlog.

Morgenthau is dus geen defensief realist in de strikte theoretische betekenis van het woord. Maar zijn realisme kent wel een duidelijkere ingebouwde rem dan dat van Mearsheimer. Bij Mearsheimer worden grote mogendheden door de structuur van het internationale systeem aangespoord gunstige kansen om hun relatieve macht te vergroten te benutten.

Morgenthau zegt eerder: denk eerst eens na. Wat kost het? Welke tegenreactie lok je uit? En kan meer macht je uiteindelijk misschien juist minder veilig maken? Machtspolitiek zonder zelfbeheersing kan het nationale belang behoorlijk beschadigen.

Liberalen vertrekken vanuit een andere gedachte. Ook zij weten natuurlijk dat staten belangen hebben. Maar zij geloven niet dat internationale politiek noodzakelijk een eindeloze machtsstrijd hoeft te zijn. Handel, economische verwevenheid, democratie, internationaal recht en instituties kunnen staten ertoe brengen samen te werken. De NAVO, EU, WTO en VN zijn vanuit dat perspectief dus meer dan alleen een weerspiegeling van de bestaande machtsverhoudingen. Ze kunnen het gedrag van staten ook beïnvloeden.

De liberalen hebben natuurlijk een punt dat internationale samenwerking en recht belangrijk zijn. Waar zij soms de mist ingaan is als zij zich loszingen van de bestaande machtsverhoudingen. Internationaal recht heeft de pretentie om machtsverschillen tussen lidstaten weg te poetsen. Dat macht toch altijd een rol speelt ziet men aan het gedrag van de grote mogendheden t.a.v. internationaal recht. De VS is geen lid van het Internationaal Strafhof en dwarsboomt het orgaan zelfs. China legt het internationaal recht in de Zuid-Chinese Zee naast zich neer. Poetin heeft al helemaal geen boodschap aan soevereiniteit.

Morgenthau heeft veel minder geduld dan de liberalen met het idee dat er een eenvoudige juridische of morele regel bestaat waarmee kan worden bepaald wanneer interventie geoorloofd is. Staten beroepen zich graag op het beginsel van non-interventie wanneer het hun goed uitkomt. Zodra hun eigen belangen in het geding zijn, blijken dezelfde staten opmerkelijk flexibel.

Groot-Brittannië verzette zich in de negentiende eeuw bijvoorbeeld tegen Russische interventies wanneer die de Russische macht vergrootten, maar intervenieerde zelf wanneer Britse belangen dat vereisten. Tijdens de Krimoorlog vocht Londen bijvoorbeeld om te voorkomen dat Rusland te machtig werd rond het Ottomaanse Rijk en de oostelijke Middellandse Zee; in 1840 intervenieerde het in het Midden-Oosten en in 1882 bezette het Egypte. Non-interventie bleek ook toen een beginsel dat opvallend soepel werd toegepast zodra het nationale belang in beeld kwam.

Ik moet in dit verband altijd aan een uitspraak van Bismarck denken:

„Ich habe das Wort ‚Europa‘ immer im Munde derjenigen Politiker gefunden, die von anderen Mächten etwas verlangten, was sie im eigenen Namen nicht zu fordern wagten.“

(Vrij vertaald:„Ik heb het woord ‘Europa’ altijd horen gebruiken door politici die van andere mogendheden iets verlangden wat zij in hun eigen naam niet durfden te eisen.”)

Bismarck wantrouwde een beroep op ‘Europa’ of op het algemene Europese belang wanneer staten daarmee in werkelijkheid hun eigen nationale belangen probeerden te bevorderen. De Otto-von-Bismarck-Stiftung dateert de uitspraak op 9 november 1876.⁶ Ik heb dit citaat vaak in het verleden gebruikt om federalisten het vuur aan de schenen te leggen. Daar werden zij heel boos van.

Tijdens de Koude Oorlog deden de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie overigens precies hetzelfde. Het speelveld was overigens na 1945 drastisch veranderd. De dekolonisatie bracht tientallen nieuwe staten voort die politiek, economisch en militair vaak zwak waren. Tegelijk bevonden grote delen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika zich in een revolutionaire fase. Voor Washington en Moskou waren er legio mogelijkheden om zich ermee te bemoeien.

Rrechtstreeks met elkaar vechten konden de twee supermachten echter niet. Daarvoor maakte de atoombom de risico’s te groot op wederzijdse vernietiging. Dus vochten ze hun conflicten steeds vaker uit via anderen. De proxy-oorlog was een logisch gevolg van het nucleaire tijdperk. Proxy-oorlogen kwamen echter vroeger ook voor.

En toen kwam ook nog eens de ideologie er overheen. De Koude Oorlog was voor Morgenthau niet alleen een ouderwetse machtsstrijd, maar ook een botsing tussen twee concurrerende politieke geloofssystemen. Communisme en anticommunisme kenden allebei nauwelijks zelfbeheersing. Wie meent dat hij namens een universele waarheid strijdt, vindt immers altijd wel ergens een reden om in te grijpen. Precies daar sneuvelt de prudentie.

Morgenthau maakte daarom een onderscheid tussen verschillende soorten communistische overwinningen die veel ideologische haviken in Washington niet meer konden maken. Niet iedere communistische overwinning betekende immers automatisch dat de Verenigde Staten verloren hadden.

In de eerste jaren van de Koude Oorlog domineerde de overtuiging dat vrijwel iedere communistische partij uiteindelijk vanuit Moskou werd aangestuurd. Maar in 1967 gold dat niet meer. Het communisme was polycentrisch geworden.⁷ China en de Sovjet-Unie waren rivalen geworden en ook andere communistische regimes volgden vaak hun eigen nationale belangen. De juiste vraag was dus niet langer: is dit communistisch maar wat betekent dit concreet voor Amerikaanse belangen?

Om deze reden was Morgenthau ook zo kritisch over Vietnam. De vergelijking met Cuba was voor hem vernietigend. Cuba lag praktisch voor de Amerikaanse kust en was daadwerkelijk een politieke en militaire bondgenoot van Moskou. Toch had Washington na de rakettencrisis van 1962 beloofd het eiland niet binnen te vallen.

Ondertussen vochten honderdduizenden Amerikaanse militairen duizenden kilometers verderop in Vietnam tegen een communistische macht die voor de Verenigde Staten veel minder direct bedreigend was.⁸ Vochten de Verenigde Staten hier niet de verkeerde oorlog, op de verkeerde plaats en op het verkeerde moment?Met andere woorden: de ideologie had het strategische denken vertroebeld.

Nog gevaarlijker vond Morgenthau dat Washington niet alleen tegen het communisme vocht, maar eveneens tegen revoluties als zodanig. Dat was vragen om moeilijkheden. In veel ontwikkelingslanden bestond immers reëel sociaal en politiek ressentiment. Wie iedere revolutionaire beweging onmiddellijk tot communistisch complot verklaarde en vervolgens automatisch het zittende regime steunde, maakte Amerika tot verdediger van de status quo met alle nare aspecten die daaraan vastzitten.

Het resultaat kon precies het tegenovergestelde zijn van wat Washington wilde. Nationalistische en revolutionaire bewegingen werden door de Amerikaanse steun aan het zittende regime juist richting Moskou of Peking geduwd. Anticommunisme werd contraproductief. De Amerikaanse interventies in Latijns Amerika waren nou niet bepaald een groot succes.

En dit vind ik misschien wel Morgenthaus interessantste punt. De keuze ging volgens hem niet altijd tussen revolutie en stabiliteit. Soms was de werkelijke keuze tussen een revolutie die vijandig tegenover Amerika stond en een revolutie waarmee Washington wel kon leven. In bepaalde gevallen kon het zelfs verstandiger zijn een revolutionaire beweging te steunen dan haar koste wat kost tegen te werken.

Dat klinkt voor een realist misschien contra-intuïtief. Maar eigenlijk is het volstrekt consequent. Niet de ideologie van een beweging moet beslissend zijn, maar de vraag wat zij betekent voor het nationale belang.

En dan komen we bij het woord dat Trump eigenlijk boven zijn bed zou moeten hangen: prudentie. Een grootmacht moet niet alleen vragen of zij ergens kan ingrijpen of zelfs of zij dat wil. Eerst komen andere vragen. Is het belang werkelijk groot genoeg? Zijn de beschikbare middelen toereikend? En bestaat er überhaupt een redelijke kans dat de interventie oplevert wat je ervan verwacht?

Morgenthau meende dat de Verenigde Staten een onweerstaanbare neiging hadden hun vermogen om andere samenlevingen naar hun hand te zetten schromelijk te overschatten. Militaire superioriteit is nog geen politieke almacht. Je kunt een regime in betrekkelijk korte tijd omverwerpen. Een oorlog beëindigen is al veel moeilijker dan er een te beginnen. Om vervolgens een stabiele politieke orde op te bouwen is helemaal bovenmenselijk. Denk maar aan de Irakoorlog. Niemand durft nog over ‘nationbuilding’ te beginnen.

Morgenthau zegt overigens niet dat Amerika zich uit de wereld moet terugtrekken. Hij is geen isolationist. Soms moet een grootmacht interveniëren. De Tweede Wereldoorlog is het klassieke voorbeeld. Interventie moet echter alleen plaatsvinden wanneer vitale belangen op het spel staan, de beschikbare macht toereikend is en er een redelijke kans op succes is.

Wie overal probeert in te grijpen omdat overal waarden of ideologische beginselen op het spel staan, verspilt uiteindelijk zijn macht. Prinzipienreiterei leidt zelden naar de hemel. Uiteindelijk zijn God en de duivel op elkaar aangewezen.

Morgenthaus boodschap uit 1967 kan eigenlijk in één zin worden samengevat: een grootmacht die niet kan onderscheiden wanneer er werkelijk gevochten moet worden en wanneer niet, loopt uiteindelijk het gevaar haar macht te verspillen op plaatsen die er niet werkelijk toe doen.

Laten we dat uitgangspunt eens toepassen op Trumps war of choice in Iran.Zijn hier nu werkelijk vitale Amerikaanse belangen in het geding? Was de Obama-methode om de Iraanse pogingen een kernwapen te vervaardigen in te dammen uiteindelijk niet effectiever dan de bombardementen van Trump en Israël? Kan de Verenigde Staten zich een Iraanse afsluiting van de Straat van Hormuz veroorloven, zo vlak voor de midterms? En wordt rivaal China ondertussen niet de lachende derde?

Dat zijn precies de vragen die een Morgenthau zou stellen. Niet: zijn onze intenties nobel? Niet: is het Iraanse regime verwerpelijk? Wel: wat is het Amerikaanse belang, wat kunnen we werkelijk bereiken en welke gevolgen roept ons handelen op?

Morgenthau had zonder enige twijfel hoofdschuddend de krant gelezen. En met hem velen anderen.

1. Reuters, “Hegseth Says Reports About Poor Conditions Aboard Carrier Are Misrepresented,” 13 augustus 2026; Associated Press, “New Aircraft Carrier Heads Toward Mideast After Reports of Issues on Long-Deployed USS Lincoln,” 13 augustus 2026. In deze berichtgeving worden klachten genoemd over voedsel- en voorraadtekorten, problemen met drinkwater en sanitair, vermoeidheid en de mentale gezondheid van de bemanning. Het Amerikaanse ministerie van Defensie stelt dat de ernst van deze problemen in de berichtgeving wordt overdreven.

2. Hans J. Morgenthau, “To Intervene or Not to Intervene,” Foreign Affairs 45, nr. 3 (april 1967), 425–436.

3. Hans J. Morgenthau, Politics Among Nations: The Struggle for Power and Peace (New York: Alfred A. Knopf, 1948). Dit is Morgenthaus bekendste werk en een van de grondteksten van het klassieke realisme. De beroemde formulering “interest defined in terms of power” staat centraal in zijn uiteenzetting van het politieke realisme.

4. Hans J. Morgenthau, In Defense of the National Interest: A Critical Examination of American Foreign Policy (New York: Alfred A. Knopf, 1951). Morgenthau werkt hier verder uit waarom het Amerikaanse buitenlandse beleid volgens hem moet worden geleid door het nationale belang en niet door abstract moralisme.

5. John J. Mearsheimer, The Tragedy of Great Power Politics (New York: W.W. Norton, 2001), vooral 29–40 en 140–143.

6. Otto von Bismarck, dictaat van 9 november 1876, in Otto von Bismarck, Gesammelte Werke. Neue Friedrichsruher Ausgabe, Abt. III, Bd. 2, red. Rainer Bendick (Paderborn, 2005), 645.

7. Met Morgenthaus constatering dat het communisme “polycentrisch” was geworden wordt bedoeld dat het communistische kamp niet langer één gesloten blok onder leiding van Moskou vormde. China en de Sovjet-Unie waren in de jaren zestig openlijke rivalen geworden, Joegoslavië onder Tito voer al veel langer een onafhankelijke koers en ook andere communistische bewegingen lieten zich in toenemende mate door nationale belangen leiden. Een communistische overwinning betekende dus niet meer automatisch een geopolitieke overwinning voor de Sovjet-Unie.

8. Hans J. Morgenthau, “To Intervene or Not to Intervene,” Foreign Affairs 45, nr. 3 (april 1967), 425–436, in het bijzonder 432–433.

Read the original on boekestijngeopolitics.substack.com

Comments

Nothing yet. Say the first thing.

    Sign in to join the conversation.