De wetgeving rondom box 3 is volop in ontwikkeling: van het loslaten van het oude schijvenstelsel tot de invoering van specifieke, fictieve rendementspercentages voor sparen en beleggen.
In dit artikel vind je een duiding van de huidige stand van zaken rondom de box 3-belasting, met specifieke aandacht voor de betekenis van, het verschil tussen, en de berekening van het fictief rendement en het werkelijk rendement onder de huidige Overbruggingswetgeving box 3. Hiertoe tref je gaandeweg dit artikel verschillende voorbeelden en scenario’s waarin er stap-voor-stap uitleg wordt gegeven over het verschil tussen beide rekenmethodes.
Ook tref je een rekentool aan die je kunt downloaden waarmee je zelf aan de slag kunt gaan met het berekenen van welke methode voor jou het voordeligste is voor de aangifte inkomstenbelasting 2025 of ten behoeve van een eventuele verkenning voor een correctie op voorgaande jaren.
Dit artikel is specifiek geschreven voor personen die:
Woonachtig en belastingplichtig zijn in Nederland;
Zich willen verdiepen in de recente ontwikkelingen van de box 3-belasting, bijvoorbeeld omdat zij willen verkennen of het interessant voor hen is om het werkelijk rendement op hun vermogen door te geven in hun aangifte inkomstenbelasting 2025 en voorgaande jaren.
Dit artikel betreft geen financieel advies (lees de volledige disclaimer hier).
In Nederland betalen we belasting over onze dagelijkse consumptieve bestedingen. Denk bijvoorbeeld aan boodschappen, waarover we 9% belasting betalen, of aan de aankoop van een paar schoenen, goed voor 21% btw. Ook betalen we belasting over onze verdiensten uit loondienst en/of ondernemerschap en over het vermogen dat we erven of geschonken krijgen.
Over het vermogen dat we vervolgens proberen op te bouwen met wat er overblijft, worden we eveneens verwacht belasting te betalen. Deze vermogensbelasting wordt ook wel de vermogensrendementsheffing of de box 3 belasting genoemd. Dit als verwijzing naar de “3e box” in de aangifte inkomstenbelasting waarin het vermogen centraal staat.
In de aangifte inkomstenbelasting zijn de belastbare inkomens verdeeld in 3 groepen (boxen), te weten:
Box 1: belastbaar inkomen uit werk (e.g. salaris) en woning;
Box 2: belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (e.g. BV’s);
Box 3: belastbaar inkomen uit sparen (e.g. spaargeld) en beleggen (e.g. aandelen) (Belastingdienst, 2026).
De wetgeving rondom box 3 is de laatste jaren sterk in beweging. Hieronder volgt een korte weergave van de ontwikkelingen uit de afgelopen jaren (paragraaf 2.2) en de huidige stand van zaken anno 2026 (paragraaf 2.3).
In het verleden rekende de Belastingdienst voor box 3 met fictieve rendementspercentages die voor alle belastingplichtigen gelijk waren, ongeacht hoe zij hun vermogen hadden verdeeld.
In dit oude stelsel berekende de Belastingdienst het fictief rendement in box 3 op basis van een vaste vermogensmix van sparen en beleggen. De verhouding hiertussen verschoof gaandeweg over drie schijven, waarbij er in elke volgende schijf een groter aandeel aan (hoger renderende) beleggingen werd verondersteld (Belastingdienst, 2026).
Hierbij ging de belastingdienst ervan uit dat mensen met een hoger vermogen ook meer zouden beleggen, terwijl dit in de werkelijkheid helemaal niet zo hoeft te zijn.
In de rekenmethode voor de box 3-belasting zijn daarom verschillende veranderingen doorgevoerd na de uitspraak van de Hoge Raad op 24 december 2021. De Hoge Raad oordeelde namelijk dat de praktijken van de Belastingdienst in strijd waren met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod uit het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) (Rechtspraak, 2021; Hoge Raad, 2024).
Naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad eind 2021 is er nieuwe wetgeving ingevoerd: de “Overbruggingswetgeving box 3” (Rijksoverheid, 2026). Deze wet is ingetreden met ingang van 1 januari 2023.
De verbetering die de Overbruggingswetgeving box 3 heeft doorgevoerd is dat er nu gekeken wordt naar de werkelijke situatie van belastingplichtigen. Dit specifiek op de verdeling tussen spaargeld en beleggingen. Hiertoe wordt voor spaargeld een fictief rendement toegepast dat dicht bij de werkelijke, genoten rente in een jaar ligt.
Voor beleggingen wordt daarentegen nog steeds een fictief rendement toegepast dat is gebaseerd op het lange termijn rendement van een door de Belastingdienst fictief samengestelde beleggingsmix, die naast aandelen ook een gedeelte uit vastgoed en obligaties bestaat.
Op basis hiervan oordeelde de Hoge Raad op 6 juni 2024 dat de wetgeving voor box 3 nog steeds het verdragsrechtelijke discriminatieverbod en het eigendomsgrondrecht schendt. Dit in de gevallen waarin het forfaitaire (fictieve) rendement hoger is dan het werkelijk rendement (Hoge Raad, 2024).
Dit heeft ertoe geleid dat de Belastingdienst nu wordt verplicht om de belastingplichtige ook de keuze te geven om belasting te betalen over het werkelijk rendement dat hij op zijn vermogen heeft behaald in een kalenderjaar.
Dit kan ten opzichte van de rekenmethode van het fictief rendement, dat de belastingdienst tot op heden nog altijd toepast als de standaard, gunstiger uitvallen wanneer de belastingplichtige een lager werkelijk rendement heeft geboekt met zijn vermogen over een bepaald kalenderjaar. Wanneer dit het geval is, moet de Belastingdienst volgens het oordeel van de Hoge Raad uit juni 2024 van het werkelijk rendement uitgaan (Belastingdienst, 2026).
In het geval dat de rekenmethode van het werkelijk rendement minder voordelig is voor de belastingplichtige dan die van het fictief rendement, dan hoeft er geen extra belasting te worden betaald en wordt gewoon de rekenmethode van het fictief rendement toegepast.
Mogelijk heb je over voorgaande jaren een brief ontvangen om eventuele correcties door te voeren. Deze brieven hebben als titel: “Opgaaf werkelijk rendement”; en als onderwerp: “Betreft: U mag uw werkelijk rendement over 202X aan ons doorgeven.”.
Het doorgeven van het werkelijk rendement kan interessant zijn wanneer je in een kalenderjaar uit het verleden een lager of negatief rendement hebt genoten. Hierbij wordt elk jaar afzonderlijk behandeld, waardoor het mogelijk voordelig is om één of een aantal jaren nog te laten belasten onder de rekenmethode van het werkelijk rendement. In de meeste gevallen is het nog mogelijk om tot de aangifte inkomstenbelasting van kalenderjaar 2021 terug te gaan. Hierbij geldt als grens de datum van 24 december 2021 of een aanslag voor deze datum reeds onherroepelijk is vastgesteld.
Om te kijken over welke jaren je eventueel nog een correctie in kunt dienen, heeft de Belastingdienst een checklist (link) gemaakt die je op een webbrowser in kunt vullen en die direct een indicatie geeft of een jaar voor jou in aanmerking komt voor een correctie middels een opgave van het werkelijk rendement (Belastingdienst, 2026).
Bij de aangifte inkomstenbelasting over 2025 is het voor het eerst mogelijk om direct in deze aangifte zelf te kiezen om de rekenmethode van het fictief rendement of het werkelijk rendement te hanteren voor de berekening van de box 3-belasting, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding, afkomstig uit de aangifte inkomstenbelasting van de Belastingdienst.
Tot zover de introductie op de Box 3-belasting en zijn ontwikkelingen in de afgelopen periode. In de volgende hoofdstukken volgt een uiteenzetting van specifiek het fictief rendement (hoofdstuk 3) en het werkelijk rendement (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 volgt een eindconclusie.
Dit artikel gaat hieronder verder voor leden van Beursbaas Pro. Op deze pagina [link] vind je meer informatie over het Beursbaas Pro lidmaatschap. (Voorkom een 30% toeslag van Apple of Google Playstore door je Beursbaas Pro lidmaatschap af te sluiten via een webbrowser in plaats van op je smartphone. Meer informatie lees je hier.)

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.