feilloosheid
Uiterlijk
- feil·loos·heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | feilloosheid | feilloosheden |
| verkleinwoord |
de feilloosheid v
- het feilloos zijn
- De feilloosheid van de leraar Latijn was spreekwoordelijk op het gymnasium.
- Het woord 'feilloosheid' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.