Kosovo
| Republika e Kosovës Република Косово | ||||
|---|---|---|---|---|
| Basisgegevens | ||||
| Officiële taal | Albanees, Servisch | |||
| Hoofdstad | Pristina | |||
| Regeringsvorm | Republiek | |||
| Staatshoofd | Albulena Haxhiu (ad interim) | |||
| Regeringsleider | Albin Kurti | |||
| Religie | Islam 93,4%, Servisch-orthodox 2,3%, Rooms-katholiek 1,7%[1] | |||
| Oppervlakte | 10.887 km²[2] | |||
| Inwoners | 1.585.566 (2024)[1] | |||
| Bijv. naamwoord | Kosovaars | |||
| Inwoneraanduiding | Kosovaar (m./v.) Kosovaarse (v.) | |||
| Overige | ||||
| Volkslied | Europa | |||
| Munteenheid | Euro (EUR) | |||
| UTC | +1 (zomer +2) | |||
| Nationale feestdag | 17 februari | |||
| Web | Code | Tel. | .xk | RKS | 383 (sinds 01-02-2017) | |||
| Voorgaande staten | ||||
| ||||
| Detailkaart | ||||
Kosovo (Albanees: Kosova, Kosovë; Servisch: Косово, Kosovo), officieel de Republiek Kosovo (Albanees: Republika e Kosovës; Servisch: Република Косово), is een gedeeltelijk erkend land in Zuidoost-Europa. Kosovo ligt in het midden van het Balkanschiereiland en grenst aan Montenegro, Albanië, Noord-Macedonië en Servië. De hoofdstad van Kosovo is Pristina.
Kosovo riep op 17 februari 2008 eenzijdig de onafhankelijkheid uit van Servië. De etnisch Albanese bevolking, waar Kosovo voor ruim 90% uit bestaat, streefde al enige tijd naar afsplitsing van Servië. Deze onafhankelijkheid wordt door 110 van de 193 leden van de Verenigde Naties erkend, waarvan Kosovo echter geen lid is. Servië erkent deze onafhankelijkheid niet en beschouwt Kosovo als een autonome provincie onder de naam Kosovo i Metohija. Servië verloor het feitelijke gezag over Kosovo al in 1999, toen de regio na de Kosovo-oorlog onder internationaal bestuur kwam.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Vroege geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]
Het gebied dat overeenkomt met het huidige Kosovo werd oorspronkelijk bewoond door de Indo-Europese volkeren Illyriërs en Thraciërs. In 231 v.Chr. ontstond het koninkrijk Dardanië, geregeerd door een gemengd Illyrisch-Thracische stam. Na veroveringen gedurende de oudheid door het Romeinse en Byzantijnse Rijk volgden in de 7e eeuw van de middeleeuwen Slavische expansie naar de Balkan. In het jaar 836 werd Kosovo onderdeel van het Eerste Bulgaarse Rijk. In de 13e eeuw werd de regio geannexeerd door het Koninkrijk Servië, dat geregeerd werd door de Nemanjić-dynastie. Deze dynastie leidde Servië onder tsaar Stefan Dušan naar een regionale macht en het territoriale hoogtepunt in de vorm van het Keizerrijk Servië. Aan het eind van de 14e eeuw verzwakte het Servische rijk onder de opvolgers en regeerden de Servische edelen afzonderlijk van elkaar. De dynastieën van Branković en Lazarević regeerden over het grootste gedeelte van Kosovo. Na kleinschalige uitbreiding van de Albanese Kastrioti-dynastie richting Prizren wisten de prinsen van de Dukagjini-dynastie het vorstendom Dukagjini aanzienlijk uit te breiden vanuit Noord-Albanië naar grote delen van het westen van Kosovo. Het aangrenzende vorstendom Zeta, overeenkomend met het huidige Montenegro, regeerde ook enige tijd over datzelfde gebied. Andere delen van Kosovo werden nog altijd geregeerd door de Branković-dynastie. In 1389 vocht het Moravisch Servië met steun van een Balkanalliantie, onder leiding van vorst Lazar Hrebeljanović in Kosovo de Slag op het Merelveld tegen Ottomaanse Rijk. Vorst Lazar en sultan Murat I sneuvelden tijdens de veldslag. Het eindigde in een Ottomaanse overwinning waarna de Ottomanen het gebied, en hierna het grootste gedeelte van de Balkan, vijf eeuwen lang bezetten en de islam introduceerden op de inheemse bevolking. Met name het merendeel van de Albanezen en enkele Slavische volkeren, zoals de Bosniakken en Gorani, gingen over tot de islam, waar de Serviërs grotendeels oosters-orthodox bleven.

Val van het Ottomaanse Rijk
[bewerken | brontekst bewerken]Van 1760 tot 1831 maakte Kosovo onderdeel uit van het semi-autonome Pasjalik Shkodër nadat de macht van de Albanese edelen binnen het Ottomaanse Rijk groeiden. In 1831 trokken de Ottomanen de autonomie van het Pasjalik Shkodër in om hun macht weer te verstevigen nadat het rijk wankelde. In 1877 werd Kosovo administratief hervormd; het was daarmee de facto de eerste keer dat het gebied zelfbesturend was, alhoewel de jure nog onderdeel van het Ottomaanse Rijk. In 1912 verklaarde Albanië zich na een reeks opstanden onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk, waarna Servië, Montenegro en Griekenland het land grootendeels bezetten en aanspraak wilde maken op Albanese gebieden na het verdrijven van Ottomaanse troepen tijdens de Eerste Balkanoorlog. Na het einde van de Tweede Balkanoorlog bepaalde de Vrede van Londen de landsgrenzen op de Balkan. Hoewel Albanië zijn onafhankelijkheid behield werd tijdens de conferentie besloten dat gebieden met een etnisch Albanese meerderheid, waaronder Kosovo, zouden worden opgedeeld onder Servië, Montenegro en Griekenland. Servië kreeg vanaf 1913, na de val van het Ottomaanse Rijk, de heerschappij over Kosovo.

Het zinde Servië niet dat het Congres van Berlijn aan Oostenrijk-Hongarije het recht verleende om Bosnië en Herzegovina - waar ook veel Serviërs woonden - te bezetten. Deze kwestie werd in 1914 de aanleiding tot de moord op de Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand te Sarajevo. Daarop brak de Eerste Wereldoorlog uit.

Toen Duitse en Bulgaarse troepen Servië in de winter van 1915-1916 veroverden, leidde dat tot een grote exodus van Servische burgers en het Servische leger uit Kosovo. Honderdduizenden Servische soldaten stierven door honger, extreem weer en Albanese vergeldingsaanvallen, toen ze zich terugtrokken en zich bij de geallieerde Britse en Franse troepen voegden, die waren geland op Korfoe en bij Thessaloniki.
Koninkrijk van de Serviërs, Kroaten en Slovenen
[bewerken | brontekst bewerken]Na de Eerste Wereldoorlog smolten Servië, Montenegro, Slovenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Noord-Macedonië samen tot de nieuwe staat Joegoslavië: een verzameling van een aantal aan elkaar verwante volkeren onder de naam "Koninkrijk van de Serviërs, Kroaten en Slovenen". De Serviërs speelden vanaf het begin een dominante rol in het nieuwe koninkrijk. Deze rol zorgde op de lange duur voor wrevel met andere bevolkingsgroepen op de Balkan, die veelal sterke verlangens koesterden naar meer vrijheid en zelfstandigheid. Naast politieke, economische en culturele aspecten waren er ook godsdienstige: enerzijds vanuit het christendom de katholieke Kroaten en Slovenen (± 30%) en de orthodoxe Serviërs (± 40%), anderzijds een moslimminderheid (± 15%), vooral in Bosnië, en in Kosovo de Albanezen. In het laatste decennium van het Interbellum moedigde de overwegend Servische regering de Serviërs aan zich in Kosovo te vestigen.
In april 1941 vielen de troepen van Hitler het verdeelde land binnen. De Duitsers werden door een deel van de Kroaten als bevrijders onthaald. Het Duitsgezinde Kroatische leger 'ustaše' van Ante Pavelić mocht ongestoord zijn haat botvieren op alles wat niet-katholiek en niet-Kroatisch was. Alleen al in het concentratiekamp Jasenovac hebben 120.000 mensen de dood gevonden. Ongeveer 90% van deze slachtoffers was Serviër. Dit kamp werd tot symbool van de ustaša's genocide op Servische bevolking. Dit zou later de Kroaten een slechte naam bezorgen in het naoorlogse Joegoslavië en mede de nauwe banden tussen Kroaten en Duitsland verklaren. In totaal kwamen ruim één miljoen mensen om tijdens de Tweede Wereldoorlog, hetgeen neerkomt op één op elke 16 inwoners.[3]
De Italianen van Mussolini hadden via Albanië ook Kosovo bezet en geannexeerd. Aangezien Albanië sinds de val van de Albanese koning Zog een personele unie met Italië en Abessinië vormde, betekende iedere uitbreiding van Albanië een uitbreiding van Italië. Dit land had dus alle belang bij een Albanese dominantie, en trachtte dit derhalve te bewerkstelligen door Albanezen aan te moedigen zich in het gebied te vestigen en Serviërs te verjagen. Die taken werden uitgevoerd door Albanese millities van de Balli Kombëtar, SS Skanderbeg en Vulnetari. Ook de Albanese autoriteiten streefden naar een etnisch homogeen Kosovo; de premier van het koninkrijk Albanië, Mustafa Kruja, kondigde in juni 1942 vervolgingen op Servische burgers aan. In die periode kwamen in Kosovo meer dan 10.000 Serviërs om en werden ongeveer 100.000 Serviërs verdreven naar Centraal-Servië.
Vanaf 1943 werd het gebied door de Duitsers bezet, die zich op hun beurt snel moesten terugtrekken.
Kosovo in Socialistisch Joegoslavië
[bewerken | brontekst bewerken]In het door de oorlog verscheurde land kwam in 1945 Josip Broz Tito met zijn communistische partizanenleger als overwinnaar uit de strijd. Een saillant detail is dat Tito als Kroaat het doel had om de diverse bevolkingsgroepen tot een hechte eenheid te formeren. Hij beloofde van Joegoslavië een bondsstaat te maken, met gelijke rechten voor alle deelstaten, wat hem voor alle partijen aanvaardbaar maakte. Hij groeide van partizanenleider uit tot een gerespecteerd staatsman. Als president voor het leven voerde Tito een dictatoriaal bewind, dat hem in staat stelde zowel democraten als nationalisten voor tientallen jaren de mond te snoeren. Tijdens de staatshervorming in 1974 werd Kosovo onder de naam Socialistische Autonome Provincie Kosovo een autonome provincie binnen de Socialistische Republiek Servië, (net als Vojvodina). Hiermee kregen Kosovo en Vojvodina feitelijk evenveel zeggenschap binnen Joegoslavië als een deelrepubliek (eigen parlement, regering en rechtbank).
Onder Tito's heerschappij genoten de Albanezen aanvankelijk relatieve vrijheid, maar na repressieve acties in 1974 en 1976 bekleedden Serviërs 75% van de belangrijke (overheids)functies. De Albanezen vormden inmiddels, gesteund door een hoog geboortecijfer, rond de 85% van de bevolking. De Servische minderheid woonde (en woont) hoofdzakelijk vrij geconcentreerd in het noorden, met een aantal verspreide gemeenschappen over de rest van Kosovo.
Tito overleed op 4 mei 1980. Hij ging de geschiedenis in als de communistische leider die de Russische opmars naar het westen een halt wist toe te roepen: hij weekte zijn land los uit het Oostblok, volgde zijn eigen weg en gaf het communisme in Joegoslavië een eigen gezicht. Na de dood van Tito leidden de onderhuidse etnische spanningen echter opnieuw tot gewelddadige confrontaties: zijn levenswerk viel uiteen en bleek geen lange toekomst te hebben.
Op 11 maart 1981 brak in Kosovo een opstand uit onder de Albanese inwoners. Zij eisten dat Kosovo net als alle overige republieken behandeld zou worden met de leus Kosova-Republikë (Kosovo Republiek). Na het neerslaan van de opstand, waarbij volgens de Servische autoriteiten 11 doden en 257 ernstig gewonden vielen (Albanese cijfers spreken daarentegen van 1600 doden en ongeveer een gelijk aantal gewonden) werden ongeveer 2000 Albanezen gevangengezet, waaronder een belangrijk deel van de Albanese intelligentsia en Albanese partijkaders.
Een belangrijke aanleiding was het sentiment onder de Albanese bevolking dat zij werd achtergesteld. Uit de volkstelling van 1981 bleek dat van de 1.580.000 inwoners van Kosovo 1.230.000 zich als Albanezen beschouwden. Tegelijk bleek dat de banen in de publieke sector op dat moment voor twee derde deel door Serviërs bezet werden. In 1986 volgde een nieuwe opstand, die uiteindelijk ook zijn uitwerking in andere republieken van Joegoslavië zou hebben (discussie over democratie, solidariseren van politieke oppositie met de partij in sommige republieken, vragen naar de rechtmatigheid van de inzet en rol van het federale leger).
De Servische houding verhardde. Nog in 1953 hadden de Serviërs op het slagveld bij Kosovo Polje een gedenkteken opgericht voor de in deze veldslag gesneuvelde Servische soldaten én voor de koppige strijders voor de onafhankelijkheid in de eeuwen daarna. De kwestie Kosovo speelde gedurende het uiteenvallen van Joegoslavië, dat vanaf 1986 in een stroomversnelling kwam toen Slobodan Milošević een prominente plaats ging bezetten, een belangrijke rol. Servische nationalisten zoals Miodrag Bulatović, Dobrica Ćosić en Slobodan Milošević en de Servisch-Orthodoxe Kerk hamerden erop dat Kosovo de bakermat van de Servische beschaving was en dat Kosovo daarom nooit mocht worden prijsgegeven aan de Albanezen.
Joegoslavië valt uiteen
[bewerken | brontekst bewerken]Het Albanese verzet tegen de Servisch-nationalistische regering van Joegoslavië organiseerde zich onder leiding van Ibrahim Rugova, die in 1991 Kosovo tot een onafhankelijke staat had uitgeroepen maar alleen werd erkend door Albanië, ondergronds. Er ontstond een schaduwsamenleving die onafhankelijk was van de "bovengrondse" door de Serviërs geleide samenleving. De Albanese schaduwsamenleving in Kosovo kende een eigen regering en parlement, een universiteit, scholen, ziekenhuizen en zelfs een systeem van sociale zorg. Dit werd gefinancierd door middel van een eigen belastingstelsel en met behulp van Kosovaren die in het buitenland werkten (de Albanese diaspora).
De Servisch-nationalistische koers van de regering van Milošević zorgde ervoor dat in andere deelstaten van Joegoslavië de steun voor onafhankelijkheid groeide. Milošević reageerde met verdere repressie. De onafhankelijkheidsverklaringen van achtereenvolgens Slovenië, Kroatië, Bosnië en (Noord-)Macedonië leidden tot oorlog en het uiteenvallen van Joegoslavië in de jaren 90. Montenegro splitste zich later af van Servië. Tijdens de oorlogen in de buurlanden was er vanuit de internationale gemeenschap aanvankelijk weinig aandacht voor de onderdrukking van de Albanezen in Kosovo. Binnen Servië was sprake van twee provincies met beperkte autonomie: Vojvodina (met onder meer een belangrijke Hongaarse minderheid) en Kosovo (met een belangrijke Albanese meerderheid).
In 1997 zag Milošević zijn positie bedreigd door de oppositie. De economische misère van de oorlog was verergerd door een internationale boycot. Grootschalige corruptie en misdaad hadden de meeste Serviërs van hem vervreemd. Milošević reageerde opnieuw door het nationalisme aan te wakkeren, ditmaal gericht tegen de Albanezen in Kosovo. Tegelijkertijd radicaliseerde een deel van de Albanese bevolking, dat aanvoerde dat acht jaar van vreedzaam verzet geen enkel resultaat en geen enkele verbetering had opgeleverd. Zij richtten in februari 1996 het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UÇK) op, dat brak met het pacifisme van Rugova en dat de wapens opnam tegen de Serviërs. Er volgden aanslagen op Servische militaire doelen (legerkazernes en politieposten), op de Servische- en Roma bevolking maar ook op Albanezen die van collaboratie werden verdacht. Dit was de eerste fase van de Kosovo-oorlog.
In februari 1998 antwoordde Belgrado op de aanvallen van het UÇK met een groot militair offensief om het UÇK uit te schakelen. Het Joegoslavisch leger en Servische paramilitaire eenheden trokken Kosovo binnen. Het Servische offensief richtte zich niet alleen op de uitschakeling van het UÇK; ook de Albanese burgerbevolking moest het ontgelden. De Verenigde Staten bestempelden het UÇK aanvankelijk als terroristische organisatie, maar veranderden hun standpunt wegens Milošević' harde optreden. Samen met de NAVO steunden de VS op allerlei manieren (diplomatiek en door wapensmokkel) de strijd van het UÇK. De Serviërs werden beschuldigd van etnische zuivering en de internationale gemeenschap greep in. Men probeerde Milošević eerst via diplomatieke wegen tot andere gedachten te brengen. Uiteindelijk zouden verschillende commandanten van zowel het Joegoslavisch leger als het Bevrijdingsleger van Kosovo in Den Haag berecht worden voor het Joegoslavië- en later Kosovotribunaal.

In oktober 1998 werd er een akkoord bereikt, dat echter direct daarna werd geschonden. Er volgde een Kosovo-conferentie in het Franse Rambouillet in februari 1999. Hier ontstond het plan om Kosovo voor een periode van drie jaar zelfbestuur te verlenen, maar geen onafhankelijkheid. De Kosovaren tekenden het plan in maart 1999, op een vervolgconferentie in Parijs. Omdat het plan ook een NAVO-troepenmacht in Kosovo inhield bleven de Serviërs weigeren; de bezetting van Servisch grondgebied door buitenlandse troepen achtten ze onaanvaardbaar. Ook na dreiging met NAVO-luchtaanvallen ging Servië niet akkoord.
Eind maart volgden die luchtaanvallen, waarvoor overigens niet de toestemming van de VN-veiligheidsraad was gevraagd. De doelen van de luchtaanvallen waren zowel militair als civiel: bruggen, spoorlijnen, chemische fabrieken en zelfs een televisiezender in Belgrado werden door NAVO-vliegtuigen gericht bestookt en verwoest. Na 78 dagen van bombardementen op Servische doelen in heel Servië, Montenegro en Kosovo tekende Belgrado de Overeenkomst van Kumanovo, waarmee de terugtrekking van het Servische leger en de Servische politie uit Kosovo een feit werd.
Sinds de oorlogsjaren
[bewerken | brontekst bewerken]Na het wapengekletter kwam Kosovo onder bestuur van de Verenigde Naties te staan, die daartoe de missie UNMIK (United Nation Interim Administration Mission in Kosovo) oprichtte. Een NAVO-vredesmacht met de naam KFOR (Kosovo Force) werd ingesteld om toezicht te houden op de openbare orde. Veel Albanezen keerden naar hun huizen terug en trachtten hun leven weer op te bouwen. Veel Serviërs vluchtten op hun beurt naar Noord-Kosovo (met name rond Mitrovicë), waar de Serviërs nog een meerderheid vormden, en naar het eigenlijke Servië. Het Kosovaarse parlement bouwde in overleg met UNMIK aan wetgeving die op sommige gebieden (met name op het gebied van het strafrecht) de Servische wetgeving volledig heeft vervangen.

De status van Kosovo was ondertussen de inzet van internationale onderhandelingen, waarbij de partijen recht tegenover elkaar stonden. Het Kosovaarse parlement riep vervolgens op 17 februari 2008, op voorstel van premier Hashim Thaçi, eenzijdige de onafhankelijkheid uit. De aanwezigen stemden in een spoedzitting unaniem vóór de onafhankelijkheidsverklaring. Er waren tien afwezigen, inclusief de afgevaardigden van de Serviërs uit Kosovo.
In deze verklaring stond onder meer:[4]
- Kosovo is gesticht op basis van het plan-Martti Ahtisaari[5] (de VN-gezant die belast was met het vinden van een staatsrechtelijke oplossing)
- Kosovo is een multi-etnische en democratische staat.
- Kosovo zal zich wijden aan vrede en stabiliteit in de regio.
- Kosovo stemt in met internationaal toezicht en de aanwezigheid van een vredesmacht.
Dit was in feite de tweede onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo. De eerste werd uitgeroepen op 7 september 1990, maar werd in die tijd slechts erkend door het buurland Albanië.
Deze onafhankelijkheidsverklaring volgde op de verkiezingsoverwinning van Hashim Thaçi in november 2007; hij eiste Kosovaarse onafhankelijkheid. Terwijl men feest vierde in Kosovo, waren er al direct enkele rellen. In de noordelijke stad Mitrovicë werd een handgranaat gegooid naar een gebouw van de Verenigde Naties (gerechtsgebouw met gevangenis) en een niet-ontplofte handgranaat naar een hotel dat ambtenaren uit de Europese Unie huisvest, evenwel zonder slachtoffers en met beperkte schade.[6]
De voormalige Servische premier Vojislav Koštunica noemde het onafhankelijke Kosovo een "onechte" staat, opgericht in overtreding van internationale wetten. Servië weigert verdere samenwerking met Kosovo en wil zijn relaties met landen, die de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen, opnieuw beoordelen.
Rusland riep op 17 februari 2008 de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in spoedberaad bijeen om de nieuwe situatie te bespreken. Rusland eiste maatregelen van de VN-missie UNMIK en van de NAVO-troepen om de onafhankelijkheid ongedaan te maken. De secretaris-generaal van de VN Ban Ki-moon drukte in een verklaring zijn bezorgdheid uit en vroeg "af te zien van elke actie of verklaring die de vrede in Kosovo en omliggend gebied in gevaar zou kunnen brengen, kan opruien tot geweld of de veiligheid in gevaar kan brengen".[7] De Belgische VN-ambassadeur in de Veiligheidsraad, sprekend voor zes westerse naties (België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Kroatië en de Verenigde Staten), drukte zijn spijt uit dat "de Veiligheidsraad geen overeenstemming kon bereiken hoe het verder moet. Maar deze impasse was reeds maandenlang duidelijk. De gebeurtenissen van vandaag vormen slechts een conclusie van een proces waarin alle mogelijkheden tot een onderhandeld resultaat werden uitgeput."[8]
Ongeveer de helft van de internationale gemeenschap heeft Kosovo erkend, waaronder België, Nederland en de Verenigde Staten. Costa Rica was het eerste land dat Kosovo officieel erkende als een onafhankelijke staat. De meerderheid van de 28 EU-landen erkent Kosovo. Dit geldt niet voor de EU-landen Cyprus, Griekenland, Roemenië, Slowakije en Spanje. Enkele van deze landen kennen een of meerdere opstandige regio's die op hun beurt onafhankelijkheid nastreven. Deze landen willen geen precedent scheppen[9] en hebben aangegeven Kosovo niet te zullen erkennen.[10] Doordat Rusland en China, twee permanente leden van de VN-veiligheidsraad, Kosovo niet wensen te erkennen, is een lidmaatschap voor Kosovo van de Verenigde Naties nog niet aan de orde.
Ondanks de Servische tegenstand is Kosovo op 9 december 2014 officieel lid geworden van het IOC. Dit betekende dat Kosovo met een eigen nationaal team mocht deelnemen aan de Olympische Spelen van 2016 in Rio de Janeiro.[11]
Geografie
[bewerken | brontekst bewerken]
Kosovo heeft een oppervlakte van 10.908 km² en telt ruim 1,8 miljoen inwoners. Er zijn twee hoofdvlaktes in Kosovo. Het bekken van Dukagjin is in het westen van Kosovo gesitueerd en de vlakte van Kosovo beheerst het oostelijke deel.
Een groot deel van de oppervlakte van Kosovo is bergachtig. Het Šargebergte ligt in het zuiden en zuidoosten, op de grens met Noord-Macedonië. Dit is een van de populairste toeristische gebieden en skigebieden van de regio, met Brezovica en Prevalla als de belangrijkste toeristencentra. De hoogste bergen van Kosovo, inclusief de hoogste berg Gjeravica (2656 m), liggen in het westen op de grens van Albanië en Montenegro. Deze bergen behoren tot de Albanese Alpen. In het noorden ligt het zuidelijke deel van de bergketen Kapaonik. De centraal gelegen gebieden van Drenica, Carraleva en het oostelijkste deel van Kosovo, bekend als Gollaku, zijn hoofdzakelijk heuvelgebieden.
Er zijn enkele noemenswaardige rivieren en meren in Kosovo. Deze zijn de Witte Drin in het westen, die uitmondt in de Adriatische Zee (met de Erenik als de belangrijkste zijrivier), de Sitnica in het midden, de bovenloop van de Zuidelijke Morava in het uiterste oosten en de Ibar in het noorden. De grootste meren zijn het meer van Ujmani (380 miljoen m³) in het noordwesten, het meer van Radoniq (113 miljoen m³) in het zuidwesten, het meer van Batllavë (40 miljoen m³) en het meer van Badovci in het noordoosten.
Steden
[bewerken | brontekst bewerken]De grootste stad is de hoofdstad Pristina, met eind 2003 een geschat inwoneraantal van 165.844 inwoners. Hier bevindt zich ook de Luchthaven Pristina die de belangrijkste luchthaven van Kosovo is. Andere steden in Kosovo zijn (dd. 31 december 2003):[12]
- Prizren (107.614)
- Ferizaj (71.758)
- Mitrovicë (68.929)
- Gjakovë (68.645)
- Pejë (68.551)
- Gjilan (55.781)
Kosovo heeft achtendertig gemeenten.
Demografie
[bewerken | brontekst bewerken]Kosovo telde in 2024 een bevolking van 1.585.566 inwoners, die hoofdzakelijk bestaat uit etnische Albanezen, zij vormen een meerderheid van 91,7% van het land. De grootste minderheid in Kosovo zijn de Serviërs, die in Noord-Mitrovica en in enkele kleine enclaves de meerderheid vormen. Verder vormen Bosniakken, Roma, Turken en Gorani in Kosovo de kleine minderheid.
Etnische samenstelling:[1]


Kosovo heeft de jongste bevolking van Europa. Volgens de volkstelling van 2011 bestaat zo'n 28 procent van de bevolking uit kinderen tussen de 0 en 14 jaar oud (zie onderstaand tabel). In 2011 bestond meer dan de helft van de bevolking uit mensen onder de dertig jaar oud.[13] Desalniettemin is Kosovo langzaam aan het ontgroenen en vergrijzen: het aantal jongeren is de afgelopen vijftig jaar minder snel toegenomen vergeleken met andere leeftijdscategorieën.
| Leeftijdsopbouw van Kosovo in 1961 en 2011 | ||
|---|---|---|
| Leeftijdscategorie | Aantal (1961) | Aantal (2011) |
| 0-4 jaar | 165.881 | 149.735 |
| 5-9 jaar | 131.868 | 160.916 |
| 10-14 jaar | 108.517 | 176.926 |
| 15-19 jaar | 87.286 | 174.932 |
| 20-24 jaar | 83.650 | 161.467 |
| 25-29 jaar | 74.293 | 141.268 |
| 30-34 jaar | 64.160 | 130.542 |
| 35-39 jaar | 43.491 | 124.912 |
| 40-44 jaar | 35.107 | 108.142 |
| 45-49 jaar | 34.333 | 94.988 |
| 50-54 jaar | 36.619 | 80.625 |
| 55-59 jaar | 27.534 | 65.539 |
| 60-64 jaar | 25.587 | 53.048 |
| 65 en ouder | 44.796 | 116.785 |
| Kosovo (totaal) | 964.084 | 1.739.825 |
Religie
[bewerken | brontekst bewerken]In Kosovo is als een van de weinige landen van Europa de islam dominant, dit als gevolg van de eeuwenlange Ottomaanse heerschappij. Andere godsdiensten zijn het katholicisme en de Servisch-orthodoxe kerk.
De meeste Albanezen zijn moslim, evenals de islamitische Slaven (Gorani en Bosniakken), de Balkan-Egyptenaren/Ashkali en de Turkse minderheid.
Het aantal katholieken wordt op 60.000 geschat. Zij zijn vrijwel allemaal Albanezen, aangezien de Kroatische minderheid, die merendeels katholiek is, het gebied grotendeels is ontvlucht. De Serviërs zijn overwegend Servisch-orthodox. De Ashkali (Roma) hebben aanhangers in elk van de drie geloofsstromingen.
| Religie | Aantal | % |
|---|---|---|
| Islam (vooral soennisme) | 1.663.412 | 95,6% |
| Christendom | 64.275 38.438 25.837 | 3,7% 2,2% 1,5% |
| Overig | 1.188 | 0,1% |
| Onkerkelijk | 1.242 | 0,1% |
| Geen antwoord | 9.708 | 0,6% |
| Totaal | 1.739.825 | 100% |
Taal
[bewerken | brontekst bewerken]De twee officiële talen in Kosovo zijn het Albanees en het Servisch. Het Albanees (Gegisch dialect) wordt in Kosovo veruit het meest gesproken. Erkende minderheidstalen zijn het Bosnisch, Romani, Turks en Gorani.
Sinds de grondwetshervorming in 1974 werd het Albanees gebruikt als ambtstaal. Sinds 1999 is in wetten en andere officiële documenten het Engels maatgevend, naast de Albanese ambtstaal.
Cultuur
[bewerken | brontekst bewerken]Vlag en volkslied
[bewerken | brontekst bewerken]Een voorwaarden voor de onafhankelijkheid van Kosovo is dat het land een multi-etnisch karakter zou moeten symboliseren. In de volledig donkerblauwe Kosovaarse vlag staat het gebied afgebeeld op een goudgele kaart onder de zes witte sterren die naar de dominerende bevolkingsgroepen verwijzen: de Albanezen, Serviërs, Bosniakken, Roma, Gorani en Turken. Het officiële volkslied van Kosovo is tekstloos.
Identiteit
[bewerken | brontekst bewerken]De cultuur in Kosovo kan vanuit demografisch oogpunt worden beschouwt als nagenoeg hetzelfde als die in het noorden van Albanië. Kosovaarse Albanezen, ruim 90% procent van de bevolking, behoren tot de Gegische stam van Albanezen en delen dezelfde tradities en hetzelfde dialect als de Albanezen in Noord-Albanië.
Albanezen definiëren hun etnische samenhorigheid door taal, maar niet door godsdienst. Bij de Slavische bevolkingsgroepen (Serviërs en Bosniakken) dient de godsdienst juist wél als onderscheidend kenmerk tegenover andere etniciteiten.
In Kosovo staat een groot aantal Servisch-Orthodoxe kerken en kloosters. De belangrijkste kloosters staan in Pejë, Deçan, Gračanica en Prizren.
Tientallen kerken zijn vernield tussen de jaren 1998 en 2004. Dit als vergelding op de vernietiging en plundering van vele moskeeën door de Serviërs tijdens de oorlog van 1996-1999.
Sport
[bewerken | brontekst bewerken]Voetbal is de populairste sport in Kosovo. Tot 2014 speelde het nationale team van Kosovo echter geen officiële interlands en kwamen de meeste Kosovaarse voetballers die in aanmerking kwamen voor interlandvoetbal uit voor Albanië. In mei 2016 trad Kosovo toe als officieel lid van de UEFA en de FIFA. Vanaf dit moment mocht het Kosovaars voetbalelftal deelnemen aan de kwalificatie voor het EK, WK en de Nations League.
Na de etnische spanningen werd in 1991 een officieuze voetbalcompetitie opgestart in Kosovo voor de Albanese voetbalclubs, die daarvoor uitkwamen in de Joegoslavische voetbalcompetitie. FC Prishtina is de succesvolste Kosovaarse club. Sinds het voetbalseizoen 2017–2018 kunnen Kosovaarse clubs zich kwalificeren voor de UEFA-toernooien. FC Ballkani en FC Drita kwalificeerden zich tot op heden als enige twee Kosovaarse clubs voor een hoofdtoernooi, beide namen deel aan de competitiefase van de UEFA Conference League.
Kosovo debuteerde op de Olympische Zomerspelen van 2016, het debuut op de Winterspelen volgde direct op de Olympische Winterspelen van 2018. Sindsdien won Kosovo vijf medailles in Judo, waarvan drie goude.
Politiek
[bewerken | brontekst bewerken]Kosovo is een parlementaire republiek. De president is het staatshoofd en de premier is de regeringsleider. Het parlement telt 120 zetels die elke vier jaar door het volk worden gekozen. De president wordt door het parlement gekozen voor een termijn van vijf jaar. De premier wordt door het parlement gekozen op voordracht van de president. De regering oefent de uitvoerende macht uit en bestaat uit de premier als regeringsleider, de vicepremiers en de ministers van de verschillende ministeries.
Sinds 22 maart 2021 is Albin Kurti de premier van Kosovo. Sinds 4 april 2026 is Albulena Haxhiu president van Kosovo (ad-interim).
Bestuurlijke indeling
[bewerken | brontekst bewerken]Kosovo is ingedeeld in zeven statistische regio's[15] en 38 gemeenten.[16] De gemeente (Albanees: komuna; Servisch: opština/општина) is de primaire bestuurlijke onderverdeling van Kosovo.[17] Het bestuur van elke gemeente is in handen van een gemeenteraad (Albanees: Kuvendi komunal; Servisch: Skupština opštine) die wordt voorgezeten door een burgemeester. De burgemeester (Albanees: Kryetari i komunës; Servisch: Gradonačelnika opštine) wordt rechtstreeks verkozen. Hij stelt een bestuurlijk college (Albanees: Bordi i drejtorëve; Servisch: Odbor direktora; Engels: Board of Directors) aan.[18] De burgemeester en het college zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van de beslissingen van de gemeenteraad en voor de financiële huishouding van de gemeente.[19]
Internationale betrekkingen
[bewerken | brontekst bewerken]Kosovo wordt erkend door 110 van de 193 VN-landen en door 22 van de 27 EU-landen. Kosovo heeft 22 consulaten.
Kosovo is lid van de Internationaal Monetair Fonds, Commissie van Venetië en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling.
Strijdkrachten
[bewerken | brontekst bewerken]De Kosovo Security Force en de Kosovo Force (een door de NAVO geleide internationale vredesmacht) bewaken de territoriale integriteit en de nationale soevereiniteit van Kosovo en staan onder bevel van de president van Kosovo.
Economie
[bewerken | brontekst bewerken]De economie van Kosovo is een van de minst ontwikkelde in Europa. Het bnp per inwoner bedroeg naar schatting 5960 Amerikaanse dollar in 2023.[20] Een belangrijk deel van de economie bestaat echter uit financiën die door de diaspora van Kosovo worden opgestuurd doorheen het jaar.
Gedurende de jaren negentig heeft Kosovo te lijden gehad onder het gevoerde economische beleid, de internationale sancties en de conflicten.[21]
De officiële munteenheid van Kosovo is de euro en is het enige betaalmiddel in het land.
De onduidelijke status van Kosovo belemmert de economie. Het is niet eenvoudig om investeringen en leningen aan te trekken.[22] Ook de corruptie en de invloed van de georganiseerde misdaad vormen serieuze problemen. Het UNMIK-bestuur stelt een nultolerantiebeleid te voeren tegen dergelijke activiteiten.
Verkeer en vervoer
[bewerken | brontekst bewerken]
De internationale Luchthaven Pristina ligt ten zuidwesten van de hoofdstad Pristina en is vernoemd naar de oorlogsheld Adem Jashari. Het is de enige luchthaven in Kosovo met lijndiensten. In 2024 verwerkte de internationale luchthaven ruim 4 miljoen passagiers.
In Kosovo rijden er meerdere passagierstreinen en bussen. Bussen zijn de meestgebruikte alternatieven voor reizen naar de omliggende landen. De belangrijkste snelweg in Kosovo, met een lengte van bijna 130 kilometer, is Autostrada R 7. Het verbindt de hoofdstad Pristina via Prizren met de Albanese grens en loopt door naar Tirana; waarna de kust van de Adriatische Zee via Durrës kan worden bereikt.
Toerisme
[bewerken | brontekst bewerken]Door het imago dat Servië heeft opgelopen tijdens de oorlog in 1999, draait (of draaide) het toerisme in Kosovo op een laag pitje. Het land heeft na de oorlog een grote invloed van toerisme gekend. Steden zoals Prizren, Pristina en Peja staan bekend om hun natuur en culturele monumenten zoals moskeeën en kerken.
Toch zorgt het gematigd warme klimaat tijdens de zomer en de sneeuwval tijdens de koude winter ervoor dat Kosovo iets te bieden heeft in elk seizoen op het vlak van buitensport. Zo is het mogelijk om te skiën in Brezovica en bergsporten te beoefenen in de Rugova-vallei.
Enkele van de bekendste, natuurlijke trekpleisters in Kosovo zijn de Mirusha-watervallen, de Rugova-vallei, het grote natuurpark in de buurt van Prizren en de vele meren zoals Batllavë in het noordoosten van Kosovo. Ook op geschiedkundig en cultureel vlak zijn er bezienswaardigheden te ontdekken in Kosovo. Het klooster van Deçan (in het westen van Kosovo) en diverse kastelen zoals in Prizren, Novobërdë en Mitrovica zijn stille getuigen van de Ottomaanse en Romeinse bezettingen.
Gedurende het hele jaar zijn er diverse internationale filmfestivals, zoals "Prishtina FilmFest" en "Prizren Short Film Festival" en andere culturele festivals die internationaal aandacht trekken.
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]Externe links
[bewerken | brontekst bewerken]- 'Kosovo roept zondag (17-02-2008) onafhankelijkheid uit' de Volkskrant
- (en) United Nations Mission in Kosovo (UNMIK)
- (en) Loss of the Kosovo Cultural Heritage (Fabio Maniscalco)- "Web Journal on Cultural patrimony", 2, 2006
- (en) Verwoeste kerken en kloosters in Kosovo (gearchiveerd)
- 1 2 3 (sq) Registratie van de bevolking, huishoudens en huisvesting in Kosovo 2024 (vertaald). askapi.rks-gov.net (2024). Geraadpleegd op 11 januari 2025.
- ↑ (en) CIA The World Factbook 2015
- ↑ Bogoljub Kočović: 'Žrtve Drugog svetskog rata u Jugoslaviji', Svjetlost, Sarajevo 1990.
Vladimir Žerjavić Gubici stanovništva Jugoslavije u Drugom svjetskom ratu, Jugoslovensko Viktimološko društvo, Zagreb, 1989. - ↑ Onafhankelijkheidsverklaring (gearchiveerd)
- ↑ Finse diplomaat die een blauwdruk opstelde van de principes waaraan Kosovo zich moet houden, zoals internationaal toezicht door de EU en de bescherming van minderheden.
- ↑ "Antiwesters geweld door Kosovo" NRC Handelsblad] (niet meer beschikbaar)
- ↑ Veiligheidsraad eens te meer verdeeld, De Standaard
- ↑ The Guardian: Albanian celebrations leave Serbs defiant. Gearchiveerd op 15 maart 2013.
- ↑ "Kosovo's onafhankelijkheid kwestie van dagen", NU.nl, 24 januari 2008.
- ↑ Xinhuanet: "Kosovo's proclaimed independence provokes mixed responses from international community" (gearchiveerd)
- ↑ BalkanInsight, Kosovo Wins Right to Compete in Olympics,09/12/2014 (geraadpleegd op 10/12/2014). Gearchiveerd op 10 juni 2016.
- ↑ Citypopulation.de: Kosovo (schatting 31 december 2003)
- ↑ "Population born in kosovo by age, sex and municipality of birth 2011", askdata.rks-gov.net (pagina niet meer beschikbaar)
- ↑ title=Kosovo Population and Housing Census 2011 - Final Results: Quality Report
- ↑ Enti i Statistikës së Kosovës/Zavod za statistiku Kosova (Statistisch Bureau van Kosovo), Statistical Atlas 2008, april 2008.
- ↑ (en) OSCE Mission in Kosovo, Background Report, Human Rights, Ethnic Relations and Democracy in Kosovo (Summer 2007 - Summer 2008), 8 september 2008. Gearchiveerd op 25 december 2018.
- ↑ (sq) Officieel publicatieblad van UNMIK, Rregullore Nr. 2007/30, Për ndryshimin e Rregullores së UNMIK-ut nr. 2000/45 mbi Vetëqeverisjen e Komunave të Kosovës, 16 oktober 2007. (gearchiveerd)
- ↑ (sr) Officieel publicatieblad van UNMIK, Uredba br. 2007/30 O izmenama i dopunama Uredbe UNMIK-a br. 2000/45 o samoupravi opština na Kosovu, 16 oktober 2007. (gearchiveerd)
- ↑ Nederlands ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Personenverkeer, Migratie- en Vreemdelingenzaken, afdeling Asiel- en Migratiezaken, ambtsbericht Kosovo, december 2006. (pagina niet meer beschikbaar)
- ↑ (en) GDP per capita (current US$). data.worldbank.org. Geraadpleegd op 17 april 2025.
- ↑ The World Bank, World Bank Mission in Kosovo (2006/2007). Gearchiveerd op 1 november 2019.
- ↑ BBC News, Brussels offers first Kosovo loan (03/05/05). Gearchiveerd op 17 februari 2006.