Drie conclusies:
Journalistieke kwaliteit bij de publieke omroep is behoorlijk stevig geïnstitutionaliseerd.
De zwakke plek zit niet zozeer in de normen, maar in wat de kijker, luisteraar en lezer daarvan kan zien.
AI maakt die vraag urgenter. Journalistieke verantwoording wordt steeds meer een productvraag.
De Nederlandse publieke omroep heeft redactiestatuten, journalistieke codes, klachtenprocedures, een onafhankelijke Ombudsman en een wettelijke toezichthouder. De Mediawet schrijft zelfs voor dat redactiestatuten waarborgen bevatten voor journalistieke kwaliteit en redactionele onafhankelijkheid.
Op papier is er dus behoorlijk wat geregeld. Maar kan ik als burger bij een journalistiek verhaal eigenlijk zien hoe die kwaliteit is gewaarborgd?
Die vraag kwam bij mij op toen het Commissariaat voor de Media deze week zijn nieuwe toezichtkader ‘Waarborgen journalistieke kwaliteit bij landelijke publieke omroepen’ publiceerde. Het beschrijft acht onderwerpen waarop het toezicht zich richt, van governance en het redactiestatuut tot risicomanagement, organisatiecultuur en toetsing. Redactionele autonomie blijft daarbij het uitgangspunt.
Dat is logisch. Journalistieke kwaliteit ontstaat niet doordat ergens een code op een website staat. Onafhankelijkheid en zorgvuldigheid moeten ook terugkomen in de manier waarop een organisatie wordt bestuurd en een redactie werkt.
Het toezichtkader gaat daardoor vooral over wat binnen de omroep is geregeld. De kijker, luisteraar of lezer bevindt zich aan de andere kant. Die krijgt van al die waarborgen meestal weinig te zien.
Na mijn eerste reactie op LinkedIn wees Wytse Vellinga, coördinator journalistieke verantwoording bij de Ombudsman voor de Publieke Omroepen, mij terecht op de Code Journalistiek Handelen. Die is behoorlijk concreet over wat het publiek van journalistieke redacties mag verwachten.
Omroepmedewerkers moeten onafhankelijk werken, informatie moet kloppen en producties moeten controleerbaar zijn. Journalisten moeten bovendien transparant en aanspreekbaar zijn op hun handelen. Fouten en onzorgvuldigheden moeten worden erkend en hersteld. Ook moeten omroepen duidelijk maken hoe het publiek kan reageren of klagen. Rectificaties, correcties en aanvullingen horen eenvoudig vindbaar te zijn.
Vellinga schreef in zijn reactie: “Duidelijk en open zijn over hoe je als journalist werkt, is wat ons betreft een onmisbaar onderdeel van kwalitatief goede journalistiek.”
Er is ook een formele klachtenroute. Burgers kunnen bij de betrokken redactie of omroep terecht en zich daarna tot de onafhankelijke Ombudsman wenden. Die kan beoordelen of journalistiek handelen in overeenstemming is met de Code. Haar oordeel is niet bindend en zij kan een omroep niet verplichten tot een rectificatie.
Aan regels en procedures dus geen gebrek. Alleen krijgt de gemiddelde nieuwsconsument daar nauwelijks iets van mee. De Code, de Ombudsman en de klachtenprocedure bevinden zich grotendeels buiten het blikveld van de doorsnee nieuwsgebruiker.
Daarom vond ik ook de reactie van Amma Assante, voorzitter van het Commissariaat voor de Media, interessant. Zij liet me in een persoonlijke reactie op LinkedIn weten dat de mediagebruiker erop moet kunnen rekenen dat het media-aanbod betrouwbaar en onafhankelijk is en voldoet aan hoge journalistieke kwaliteitseisen.
Vervolgens schreef ze: “Maar dat moeten we dus beter naar voren brengen in het vervolg.” En: “In communicatie met de mediagebruiker zullen we dit beter meenemen.”
Dat lijkt me terecht. Maar communicatie is maar één deel van het antwoord. Je kunt uitleggen dat er allerlei waarborgen bestaan. Je kunt er ook voor zorgen dat een gebruiker er iets van ziet wanneer dat voor een concreet journalistiek verhaal relevant is.
Nu staat een redactiestatuut ergens op een website. Er is een journalistieke code en er is een klachtenprocedure. Allemaal nuttig, maar je moet ze wel kennen en weten te vinden.
De Ombudsman houdt zich al langer met dat probleem bezig. In het Dossier Transparantie wordt onderscheid gemaakt tussen transparantie over journalistieke producties, over de mensen en organisaties erachter en reactieve transparantie, waarbij redacties achteraf uitleg geven over hun handelen. Het dossier noemt ook heel concrete voorbeelden, zoals bronvermelding, uitleg over journalistieke keuzes en zichtbare correcties.
Daar wordt transparantie ineens iets wat je als nieuwsconsument daadwerkelijk kunt tegenkomen.
Bij een journalistieke publicatie kunnen heel gewone vragen opkomen. Waar komt deze informatie vandaan? Welke primaire bronnen zijn gebruikt? Wat weten de journalisten nog niet? Is het stuk na publicatie aangepast? Heeft AI een relevante rol gespeeld? En waar kan ik terecht als ik een gemaakte keuze niet begrijp?
Op dit moment moet een gebruiker voor zulke informatie vaak zelf op onderzoek uit. De interessante stap zou zijn om relevante verantwoording dichter bij het journalistieke product te zetten.
Dat gebeurt al gedeeltelijk. De NOS heeft bijvoorbeeld een aparte omgeving voor journalistieke verantwoording. Daar licht de redactie keuzes toe, worden berichten van de Ombudsman gepubliceerd en wordt verwezen naar publieksreacties en een herstelrubriek.
Dat is nuttig. Maar zo’n aparte omgeving laat ook precies zien waar het nog wringt. Je moet weten dat die pagina bestaat en er vervolgens naartoe gaan. De verantwoording reist niet vanzelf mee met het artikel, de video of het audioproduct waarover je misschien een vraag hebt.
Waarom zou dat op relevante momenten niet dichter bij elkaar kunnen worden gebracht?
Niet ieder nieuwsbericht heeft een verantwoordingsdossier nodig. Daar zit niemand op te wachten. Maar bij sommige journalistiek kan extra informatie wel degelijk iets toevoegen.
Bij een groot onderzoek kan dat een korte methodologische verantwoording zijn. Bij een dataproject een link naar de dataset en de gebruikte methode. Een gecorrigeerd artikel kan laten zien wat er is veranderd. Soms vraagt een bronkeuze om uitleg. En als AI een betekenisvolle rol heeft gespeeld in het journalistieke proces, kan ook dat relevant zijn om te melden.
Dan staat de verantwoording niet ergens achteraf op een aparte pagina, maar wordt die waar nodig onderdeel van het journalistieke product zelf.
Dat hoeft geen optocht van badges, labels, disclaimers en metadata op te leveren. De echte ontwerpvraag is veel eenvoudiger: welke informatie helpt de gebruiker om dit journalistieke product beter te kunnen beoordelen?
Met AI wordt die vraag lastiger. De Code Journalistiek Handelen zegt inmiddels expliciet dat journalisten bepalen of en hoe AI wordt ingezet, dat het gebruik ervan aan journalistieke waarden en de Code moet worden getoetst en dat journalisten eindverantwoordelijk blijven voor de inhoud.
Dat is een noodzakelijke norm. Maar “de journalist blijft verantwoordelijk” zegt nog weinig over wat er vóór publicatie is gebeurd.
Een AI-systeem kan documenten doorzoeken, bronnen selecteren, informatie ordenen en verbanden leggen voordat een journalist het resultaat onder ogen krijgt. Naarmate zulke workflows uitgebreider worden, vinden meer tussenstappen buiten het zicht van de gebruiker plaats.
Dan kan informatie over herkomst, gebruikte bronnen, bewerkingen, correcties en relevant AI-gebruik belangrijker worden. Niet omdat iedere technische stap openbaar moet worden gemaakt, maar omdat je als gebruiker soms wilt kunnen reconstrueren waarop een journalistieke uitkomst is gebaseerd.
Dat is uiteindelijk dezelfde transparantievraag als voorheen, alleen wordt die door AI een stuk moeilijker te beantwoorden.
Het nieuwe toezichtkader van het Commissariaat voor de Media roept zo een vervolgvraag op. Natuurlijk is het belangrijk dat een omroep een goed redactiestatuut heeft, redactionele autonomie beschermt, risico’s bespreekt en journalistieke normen in de organisatie heeft verankerd. Maar wat daarvan moet een burger kunnen zien?
Het betekent niet dat het Commissariaat moet gaan voorschrijven welke bronvermelding onder een artikel hoort of wanneer een AI-label nodig is. Dat zou al snel schuren met de redactionele autonomie die het toezichtkader juist wil beschermen.
Er ligt wel een interessante gezamenlijke vraag voor Commissariaat, Ombudsman, NPO en omroepen. Welke journalistieke waarborgen zijn voor het publiek relevant? Wanneer wil je ze laten zien? En hoe zorg je ervoor dat die informatie met de journalistiek meereist zonder er een bureaucratisch verantwoordingscircus van te maken?
Journalistieke verantwoording is daarmee niet alleen iets voor bestuurders, toezichthouders en klachtenprocedures. Het is ook een vraag voor de mensen die journalistieke producten ontwerpen en maken.
De publieke omroep heeft al een behoorlijk stelsel van journalistieke waarborgen. Nu moet de nieuwsconsument er nog iets van kunnen zien.

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.