Het was stil, oorverdovend stil, té stil, en toen had ik het moeten weten. Maar eerst hing ik nog dat laatste natte laken aan de waslijn. Onderweg naar de stilte roerde ik even snel in een pan, struikelde over wat houten speelgoedtaartjes en drie voetballen, meteen even opruimen, dan hop, de hal in, richting het verdachte zwijgen.
Sjakie (1) zat op de grond naast mijn tas. Hij had de rits opengekregen – hoe?! – er met zijn grijpgrage vingertjes een doosje pillen uitgetrokken – hoe?! – en nu zat tussen twee dreumesknuisten een aluminium pilstrip ingeklemd waaraan hij gretig zat te knagen. Met boevige ogen keek hij me recht aan.
Als een hyena vloog ik door de gang en griste de strip uit zijn handen. Het wás een ongeopend net aangeschaft doosje geweest, nu ontbraken vier pillen. Ik duwde Sjakies mond open, schraapte aluminiumresten en pillengruis van zijn tong, instinctief stak ik mijn vinger in zijn keel. Er kwam niets uit, hij kokhalsde even en moest daar hard om lachen.
“Niet grappig!” riep ik, ik tilde het inmiddels schaterende jongetje op en spoelde in de badkamer zijn mond met water, ondertussen de vloer scannend. Ik vond een half aangevroten pilletje op de grond maar verder niets, geen kruimel. Schade opnemen: hij had drieënhalve pil ingeslikt.
Ik dacht aan mijn moeder vroeger, die als verpleegkundige werkte in de thuiszorg. Op een dag, ergens tussen het laatste patiëntenbezoek, de crèche en de start van het drukke avondspitsuur in, bedacht ze dat ze een belangrijke handeling was vergeten tijdens haar laatste visite. Bij gebrek aan oppasmogelijkheden nam ze mijn zus en mij mee naar haar patiënt, het hoefde immers maar kort te duren, maar wat óók maar kort hoefde te duren, waren de seconden waarin een eenjarige dreumes een doosje medicijnen op de grond vond en de inhoud ervan in haar hongerige mond propte. Die hongerige dreumes was ik.
Met spoed fietste mijn moeder naar het ziekenhuis. Mijn twee jaar oudere zus Puck vertelde in de jaren erna nog vaak over de gebeurtenissen die volgden. Ik werd vastgebonden aan een ziekenhuisbed en tot Pucks grote afgrijzen kroop een glibberige, levende slang uit mijn mond. Angstig dook ze weg onder een stoel terwijl onze moeder mijn hand vasthield.
In werkelijkheid werd mijn maag leeggepompt.
Daar dacht ik aan terwijl ik gejaagd op zoek ging naar mijn telefoon. Sjakie was ook pas een, net als ik zou hij zich hier later niets van herinneren, maar dan moest hij het eerst wel overleven. Nog maar eens mijn vinger in zijn keel, er kwam opnieuw niets uit. Voor Sjakie was de lol er nu ook af, humeurig begon hij te brommen.
Mijn huisarts kwam aan de telefoon onmiddellijk in actiestand: “Ik hang op en ik bel de intoxicatielijn. Let in de tussentijd goed op dat Sjakie niet suf wordt, en steek onder geen beding je vinger in zijn keel.” Ze hing op.
Even googelen. Verdomd, bij de meeste vergiftigingen moest er absoluut nooit gebraakt worden, omdat het giftige spul dan niet alleen naar beneden ging, maar ook de reis omhoog moest maken. Schadelijk voor je slokdarm, soms veroorzaakte het chemische brandwonden. Ook was de kans op verstikking groot, als de vergiftigde tijdens het braken bewusteloos raakte.
Ik trok mijn vingers uit Sjakies mond.
Tot zover mijn moederinstinct.
Sjakie keek me grijnzend aan, totaal niet onder de indruk van de gebeurtenissen.
Maar ik schrok van mezelf. Ik was eigenlijk helemaal niet snel bezorgd. Met mijn boerenhollandsenuchterheid bekeek ik iedere snee, schram of bult, en dat waren er nogal veel, met droge ogen – ach ja, vallen en opstaan, daar leerde hij van. Overbezorgde ouders of expatkinderen die in speeltuinen met helmen op in klimrekken hangen zag ik meewarig aan – en straks maar klagen dat de nieuwste generatie wéér suikerklontjesachtiger volwassen was geworden dan de vorige.
Nu vond ik mezelf een schlemiel. Om mijn slordigheid, om mijn onderbewustzijn dat wél opmerkte dat het verdacht stil was in huis maar niet direct handelde. Om mijn foute inschattingsvermogen, de valse aanname dat eenjarigen niet begrijpen hoe ritsen werken, om mijn schadelijke pogingen Sjakie de pillen uit te laten braken.
Enfin, we kwamen met de schrik vrij, Sjakie had het er levend vanaf gebracht, er hoefde zelfs geen maagslang aan te pas komen. Wel moest ik zes uur lang waken, elk half uur zijn temperatuur opmeten en uitkijken dat hij niet slap werd.
Dat gebeurde niet, integendeel, hij werd hyperactief van die pillen, zó druk zelfs dat hij zichzelf op een haar na van de balkonrand afwierp.
Ik veegde het zweet van mijn voorhoofd en terwijl ik Sjakie in de houdgreep hield dacht ik aan mijn belangrijkste inzicht na ruim anderhalf jaar ouderschap:
Kinderen zijn werkelijk de godganse dag op kamikaze-missie.
TOT SLOT:
Het lukt me vooralsnog om geen kindermuziek in huis te draaien want iedereen weet hoe vreselijk dat is. Gelukkig luistert Sjakie graag naar The Beatles en Bob Marley, en zijn lievelingsnummer is van een drillrapper (een topper die ik later eens zal delen). Vandaag deel ik het enige kinderliedje dat ik soms luister, als ik Sjakie in slaapmodus wil krijgen, omdat het een écht leuk liedje is, ook voor volwassenen.
Wat leuk dat je tot het einde gelezen hebt.
Het helpt mij erg als je je abonneert of edities doorstuurt naar vrienden. De mogelijkheid om mij via een betaald abonnement te steunen bestaat (nog) niet omdat ik geen creditcard heb (vooruit 'pledgen' kan wel, maar betalingen gaan pas in vanaf het moment dat ik een creditcard koppel). Wie mij financieel wil ondersteunen in het schrijven van deze stukjes kan mij voorlopig beter eenmalig of periodiek trakteren op een ijsje, bioscoopkaartje voor The Odyssey in imax of een avond luxe uit eten via deze tikkie. (Veel dank & voel je nooit verplicht, gratis lezen mag altijd!)

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.