Het was afgelopen week de sterfdag van mijn vader en ik wil die niet zomaar voorbij laten gaan zonder daar een paar woorden aan te wijden. Ik kan het onderwerp rouw en verlies van een dierbare vanuit allerlei richtingen bespreken. Ik kan schrijven over hoe rouwen een werkwoord is, over wat de impact is wanneer je jong een ouder verliest, of hoe je ermee omgaat van dag tot dag.
Toevallig zag ik van de week een Zomergastenfragment voorbij komen van cabaretier (en oud mede brugklasser) Peter Pannekoek. Hij vertelt daarin over de dood van zijn vader die overleed toen hij tiener was, en over het verlies van zijn beste vriend later in zijn leven. De manier waarop hij over rouw sprak, resoneert bij me. Hij zei: “In het begin is dat verdriet nog vloeibaar. Probeer het zoveel mogelijk eruit te gooien. Al die liters aan tranen en gal. Op gegeven moment gaat het stollen en na een jaar is het gewoon hard. Dan kom je er bijna niet meer bij.”
Ik herken dat wel. Negentien jaar na het overlijden van m’n vader kan ik er ook moeilijker bij. Of heet dat gewoon verwerking? Of komt dat moeilijker erbij komen ook omdat ik het als 21-jarige te pijnlijk vond om dat verdriet toen te laten vloeien? Ik weet het niet precies. Wat ik wel weet is dat het nu ok voelt. Dat na zoveel jaar het gemis er, bij vlagen, nog wel is, maar absoluut als een handelbare emotie. Hoe langer het geleden is, hoe meer waarde ik hecht aan de herinnering aan hem. Hoe belangrijker ik het vind om de gedachte aan hem bewust levend te houden. Om zo nu en dan nog steeds zijn aanwezigheid in mijn leven te voelen.
Dus vandaag wilde ik me op die vraag richten. Want hoe doe je dat? Hoe houd je een overleden dierbare ‘levend’, zelfs na negentien jaar?

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.