Voeler, schrijver, woordkunstenaar. Moeder, vrouw. Mens. Ik snuif buiten op; met de voeten op de aarde en het gelaat naar de zon. En pen neer wat in me omgaat. Buitenstebinnen en binnenstebuiten.
Zoals je naast me zat in de bus. Mijn linkerkant raakte jouw rechterkant, probeerde kleiner te worden, weg te kruipen. Jouw rechter bleef mijn linker raken. Jouw geur drong door tot voorbij mijn weren. Nicotine en opgedroogd zweet. Zweet en ongewassen nicotine. Mijn keel ontsloot voor wat mijn maag wilde doen. Ik hield het tegen. Achteraf denk ik: had maar laten golven. Er was geen betere manier…
Je wilt wegkruipen in jouw armen, jouw hoofd rusten op je schouder en een kus drukken in jouw haren. Je wilt jou zeggen dat het goed is, dat alles goed is en je kunt ontspannen. “Kom”, zeg je, “laat het maar gaan. Laat al de spanning maar gaan.” En je laat het gaat. Je trilt en je huilt, snikt onverstaanbare woorden terwijl je jouw handen strelend over je rug voelt gaan. Het duurt uren voor alles…
Achter zijn oren begint het leven. Een fles staat op tafel, de prik er al af. De kaas ook van het brood. Je negeerde de urgentie en nu is dit de staat waarin de wereld verkeert. Als de klok terug kon, zou je het weer doen. Jij en urgentie kunnen niet door één deur en dus kom jij meestal als tweede. Ooit was er die keer dat het andersom was. Jij kijkt er niet met trots op terug, voelt de angst van…
Ik bouw een dam van kant tot wal, maar nooit tot ver genoeg. Ons valt in het water. Tussen kikkers zwem ik, angstig voor jouw snavel. Ben ik het die de bomen knaagt of bijt jij een houtje op zoek naar geluk? De dijkveiligheid staat onder druk. Vlieg maar hoog jij, vlieg maar hoog. Zoek jouw nest maar in de bomen. Hoge poten brengen nergens meer naar toe. Mijn staart stuurt mij naar het…
rokende fabrieksschoorstenen, tramrails en vlindervleugels zonnestralen vallen ranke lichamen veranderen van kleur lijn, kleur en ritme lichtspel ligt in het ontwerp besloten schoonheid opengeslagen
Open jij het vriesvak? Ik kan hier door de bodem kijken. De stoelen staan uitnodigend, maar de tafel regeert koel de kamer. Soms hoepel ik tijdens het zingen. Gisteren zat je op de bank, morgen lig je in de tuin. Waar is vandaag gebleven? Je nam haar mee in de trein en verloor haar onderweg op een station. Door de straten vloog ze en je vond haar niet meer terug. De planten zie ik groeien maar het…
’s Avonds in bed reik ik mijn hand in de lege ruimte naast me en ik kan voelen hoe je hem vastpakt. Tienduizend kilometer ver weg ben jij, maar toch zo dicht bij mij.