Mijn roman Roundhay, tuinscène uit 2013 beschrijft de verdwijning van een filmpionier in 1890. Ik modelleerde hem naar Louis Le Prince, die vermist raakte toen hij onderweg was om een nieuwe camera te patenteren, voordat Thomas Edison er met de eer vandoor ging. Mij beviel die ironie; dat juist de man die bewegend beeld wist vast te leggen, spoorloos uit beeld verdwijnt. Ik besloot hem een angst voor zijn eigen uitvinding toe te schrijven. Hij slaat op de vlucht voor de technologie die er uiteindelijk voor zou zorgen dat geen moment meer ontsnapt aan onze vastleggingsdrift. Het derde deel schreef ik vanuit het perspectief van de zoon, die op zoek gaat naar zijn vermiste vader. Daarna droeg ik het boek op aan de mijne, die stierf toen ik negentien was.
Dat jachtige fin de siècle van grote uitvindingen, aangezwengeld door de toepassing van elektriciteit, lijkt veel op onze tijd. En ook de angst voor de nieuwe technologie is dezelfde. Tegenover de kerk, die fotografie beschouwde als het werk van de duivel, stond de commercie die het aanprees als een manier om de dood te overstijgen. Speel uw geliefden eindeloos af, ook na hun dood! Was je te laat met de vastlegging, dan werd de overledene in zijn zondagse pak gehesen om alsnog te poseren voor een post-mortem. Het resultaat was eerder spookachtig dan troostend. Zeker toen de foto’s haastig en schokkerig begonnen te bewegen.
Zoals de zoon, die het oude archief van de vermiste wilde uitbreiden, blijf ik zoeken naar nieuwe herinneringen aan mijn vader. Dat kunnen anekdotes zijn van anderen, of verloren gewaande foto’s. De lokroep van AI om hem virtueel tot leven te wekken, weerstond ik niet. Ik voerde zijn foto aan Chatgpt met het nauwkeurig geformuleerde verzoek - ik ken de slechte smaak van het systeem - om iets kleins aan de situatie te veranderen. De achtergrond misschien, of de pose. Ondanks dat voorbehoud was het resultaat zowel verbluffend als ontregelend. Wat ik op mijn scherm zag, was niet alleen scherper dan elke foto die ik van hem had, het was heel erg van nu. Daar was hij: mijn vader in 21e-eeuwse resolutie. In de dagen die volgden, drong het haarscherpe, levensechte beeld zich op aan mijn gedachten en dromen. Ik begon te vrezen dat ik iets kwetsbaars had overgeschreven. Dat ik een echte herinnering had vervangen door een digitaliteit die mijn vader nooit had beleefd.
Nu de werkelijkheid ons steeds vaker ontglipt, vraag ik me af of we niet gewoon moeten terugkeren naar de tijd dat het niet zeker weten dezelfde ruimte kreeg als harde feiten. Ik heb een zwak voor antieke non-fictie, waarin wetenschap wordt aangevuld met sterke verhalen. Zo vertelt Natural History In Anecdote over een Orang Oetang:
‘Ik zag hem aan tafel zitten, waar hij zijn servet uitvouwde, zijn lippen afveegde, met een vork zijn eten naar zijn mond bracht, zijn drank in een glas schonk en het tegen dat van een tafelgenoot hield.’
In een compendium uit de 17e eeuw stuitte ik tussen de beschrijvingen van darmziektes en vogeleieren op twee geïllustreerde observaties van een draak. Niets was zo onwerkelijk, dat het geen mooie gravure verdiende.
Dankzij het postmodernisme staat het ontkennen van objectieve waarheid al een tijdje voor de klas, maar dat heeft gek genoeg niet tot een diversiteit van vertellingen geleid; of zelfs maar het begrip daarvoor. Vooral de geesteswetenschappen brachten een generatie voort die onverbiddelijk het eigen sterke verhaal opdringt aan dat van een ander. Sociale Media maakten het werk af en koloniseerden het denken lang voor de introductie van AI.
De hoofdpersoon van mijn roman uit 2013 vreesde dat de technologie elk uniek moment zou vervormen tot een sjabloon; dat de mens niets restte dan dat eindeloos te kopiëren. Net als hij word ik regelmatig bevangen door de wens om spoorloos te verdwijnen naar een plek waar nog oorspronkelijk wordt gedacht en gehandeld, in plaats van volgens de laatste wereldwijde manie. In die zoektocht van duizenden kilometers trof ik uiteindelijk nergens een straatbeeld dat zo demonstratief dezelfde mening ventileert, als het Nederlandse. Of het nou een abri is van de overheid, die ons adviseert yoghurtpakken uit te lepelen voor het klimaat, of een affiche achter een raam tegenover de synagoge in mijn stad, waarop gebalde vuistjes roepen dat ze met ‘meer’ zijn: vol is hier nogal vol, wat prediken betreft.
Maar het vlees blijft zwak. Terwijl ik dit schrijf, vecht ik tegen een kater van Chatgpt. Het plan was één geraffineerde cocktail te maken, maar Chat drong erop aan dat ik eerst een batterij flessen moest gaan halen bij de slijter. Ik gehoorzaamde. De eerste was te bitter. De tweede te zoet. De derde te vlak. Op elke feedback die ik invoerde, kreeg ik een joviale correctie met een nieuw advies: ‘geen probleem, ga zo door, voeg dit keer toe…’ Bij het vijfde glas bereikte het eiwitschuim eindelijk de juiste finesse, of was dat het zesde? Het was sowieso te laat toen ik, met victoriaans horreur, besefte dat ik de dood als drinkgenoot had uitgenodigd.
Bedankt voor het lezen! Dit was een gratis post, omdat hij ook in Hp/De Tijd is verschenen.
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.