Ik heb de afgelopen weken bijzonder weinig meegemaakt, behalve heel veel spugen en in bed liggen. Op zich niet heel interessant - iedereen wordt wel eens ziek, en iedereen zit wel eens te wachten op een diagnose, en passende behandeling.
Irritanter is dat mijn restanten PTSS weer eens flink de kop opstaken. Omdat ik heel weinig at, en soms een glas water nog uitspuugde, werd ik rap zwakker en ging het denken niet zo lekker. Ik merkte hoeveel regulatie ik eigenlijk doe in mijn hoofd (“Oh, ik merk dat ik me niet goed voel over mezelf - is dat eigenlijk wel terecht - wat voel ik - oké ik voel eigenlijk verdriet - gaan we dat maar eens voelen” etc). Maar als dat hoofd niet meer zo helder is, maar het lichaam nog steeds van alles voelt, is dat mooi vervelend.
Er zijn eigenlijk twee soorten PTSS - de posttraumatische stressstoornis na een incident, en een complexe posttraumatische stressstoornis (C-PTSS) na herhaaldelijke incidenten, oftewel: chronisch trauma.
Mijn favoriete wetenschapper (loveu4ever) Judith Herman beschrijft treffend dat elke gek zo ver van zijn trauma weg wil blijven. Ben je getraumatiseerd na een incident, zoals een tsunami, ongeluk of aanslag, is het volstrekt normaal om níet terug te willen keren naar alles wat je daar aan doet denken. (Mijn vader zegt altijd: als je één keer gruwelijk ziek wordt van een verkeerde oester, wil je nooit meer een oester eten - en zo is dat.)
In elk geval van chronisch trauma is er dus een aspect van dwang of opsluiting. Een reden waarom je niet weg kán, en de traumatische gebeurtenissen keer op keer kunnen plaatsvinden. Een duidelijk voorbeeld is die van een gevangene; je kan niet weg van intimidaties en vernederingen als je achter tralies zit. Maar ook een soldaat die niet naar huis kan of mag stoppen, maar die gedwongen wordt steeds terug het slachtveld (oh, ik ben nog een beetje ziek en bedoelde ‘slagveld’, natuurlijk - maar slachtveld is net zo passend) in te gaan, riskeert het chronisch getraumatiseerd te worden.
Een kind in een onveilig huis kan niet weg. Het is afhankelijk van de ouders - voor de basisverzorging, maar nog belangrijker: voor het vormen van een identiteit. Het móet hechten, om zelf een persoon te kunnen worden. Wat dat betekent, is dat een kind koste wat kost gaat houden van een onveilige ouder - en naar zichzelf gaat wijzen als schuldige.
Met chronisch trauma is niet te leven. Het is, voor zowel kinderen als volwassenen, te onveilig. Je hebt een gevoel van controle nodig om je bed uit te kunnen komen - als je elk moment een bom kan verwachten, kom je niet van je plek. Wat de menselijke psyche dus doet, is keihard werken om dat gevoel van controle wél te krijgen. Als ik maar dit doe, dan blijf ik veilig. De menselijke psyche is continu bezig met overlevingsstrategieën, manieren van zichzelf aanpassen om toekomstig geweld te voorkomen.
Kort gezegd: als een ouder een kind pijnigt, geeft het kind zichzelf de schuld. Het kind zal namelijk denken: ik had dit moeten voorkomen. De volgende keer moet ik braver zijn, want dan houdt papa of mama wel van me.
Chronisch trauma tast het zelfbeeld aan. Het zorgt ervoor dat je overtuigingen over jezelf overhoudt die er moeilijk weer uitgaan. C-PTSS ontstaat dus vooral na langdurige mishandeling en/of misbruik.
Lang verhaal kort: mijn overtuiging is ‘zie je wel, ik ben slecht’. De afgelopen twee jaar heb ik al enorme stappen gemaakt om die overtuiging eruit te krijgen. In het begin hoefde je me maar met een wattenstaafje aan te raken, en kwam de overtuiging al omhoog. Zo weet ik nog dat ik net was verhuisd naar een woongroep, en een huisgenoot rustig zei dat het wel rommelig was geweest in huis, de laatste tijd; en ik zoveel buikpijn kreeg dat ik snel naar boven ging. Zoals Bessel van der Kolk omschrijft, is voor flink getraumatiseerde mensen oogcontact al onveilig: je bent immers zichtbaar, en daarom kwetsbaar. Balletles was bijvoorbeeld voor mij niet te doen; als de lerares me aankeek kreeg ik al tranen in mijn ogen. Inmiddels voel ik me echt grotendeels normaal, een ‘gewoon’ onderdeel van de maatschappij - maar blijkbaar zit het nog steeds ergens in me.
Herstel van (C-)PTSS is heel hard werken. EMDR-therapie, erover praten, erover schrijven, voelen wat je toen niet kon voelen… en reguleren, reguleren, eindeloos reguleren. Dat betekent: opmerken wat je voelt, en er iets mee doen: jezelf geruststellen, uithuilen en jezelf kalmeren.
LANG verhaal om te zeggen: wat doe je dan als je door ziekte even niet zo goed dat gesprek met jezelf kan voeren? Ik wéét natuurlijk dat het irrationeel is om me een slecht mens te voelen (dat zo schrijven voelt al raar), dat er geen reden voor is, dat ik er ook niet voor kies om ‘s nachts drie uur lang te kotsen - maar ja, het vóelt wel zo, en aan dat gevoel is moeilijk te ontkomen.
Uiteindelijk kwam er gelukkig een soort doorbraak. Mijn vriendin Lieke vroeg: waar heb jij zelf behoefte aan?
En toen dacht ik: oh ja. Tijdens mijn eigen acht maanden hel, deden mijn eigen behoeftes niet mee; als ik zei: ‘Ik vind dit niet leuk’ of: ‘Ik wil even iets anders doen’, was dat de vonk die de boel deed ontspringen. Logisch dus dat nu, als ik me niet goed voel, ik automatisch lijstjes in mijn hoofd ga maken om redenen te verzinnen waarom ik wel of niet ‘goed’ zou zijn. Maar dat hoeft nu helemaal niet meer. Die tijd van ‘goed genoeg zijn’ om veiligheid te verdienen, is voorbij. Dus ik kan beter mezelf de vraag stellen: waar heb ik behoefte aan?
(Voor de geïnteresseerden: de Amerikaanse wetenschapper Pete Walker legt dit veel beter uit dan ik, zeer het lezen waard!)
En waar heb je behoefte aan, als je ziek bent? Lekker liggen. Verzorgd worden, een beetje zielig gevonden worden, natuurlijk. Perzikje in siroop krijgen. Harry Potter luisterboek opzetten, en daar steeds bij in slaap vallen.
Opeens dacht ik: ligt de ‘oplossing’ voor herstellen van (C-)PTSS, niet voor een groot deel in oxytocine? Oxytocine is het hormoon wat ons een veilig, gehecht gevoel geeft. Als ik de afgelopen weken focuste op dat gevoel, en dat gevoel probeerde op te wekken, door geknuffeld te worden, warme kruik vast te houden, of op een ander manier een gevoel van geborgenheid te creëeren, hielp dat als een malle.
Geweld is inherent koud en troosteloos. Dus misschien ligt het antwoord wel daar: in warmte en troost. In een lekker warme lappenmand om in te gaan liggen.
Het is zo logisch, natuurlijk! Oxytocine is een basisbehoefte van elk opgroeiend kind - je moet geknuffeld worden om je veilig te voelen. En na een traumatische gebeurtenis, heeft een mens een intense behoefte aan troost, samenzijn, veiligheid. Bessel van der Kolk focust in The Body Keeps the Score vooral op manieren om het lichaam uit de overlevingsstand te krijgen (totaal terecht, trouwens), door bijv yoga, meditatie, beweging zoals sporten, dansen, trampoline springen - maar wellicht is er ook iets te zeggen voor stevig vastgehouden worden. Voor huisdieren, en zachte dekentjes.
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.