Deze week 11 nieuwe rulings, waaronder 6 advance tax rulings, 3 innovatieboxrulings, en twee overige rulings. Rulings #2 en #10 gaan over de toepassing van de vestigingsplaatsfictie op een buitenlandse entiteit die wordt omgezet naar een Nederlandse rechtsvorm.
Samenvatting: Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling en de buitenlandse belastingplicht in de vennootschapsbelasting, over de inhoudingsvrijstelling in de dividendbelasting en over de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. 1. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing op het belang van X in A. 2. B is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb. 3. Gelet op artikel 4, tweede lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan B geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid, van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. 4. B is niet belastingplichtig ten aanzien van de voordelen in de vorm van dividenden betaald door X aan B op grond van artikel 2.1 van de Wet BB. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Samenvatting: X heeft verzocht om zekerheid vooraf dat de vestigingsplaatsfictie van artikel 1.3 van de Wet bronbelasting 2021 (Wet BB) niet op haar van toepassing is na de omzetting van haar rechtsvorm naar buitenlands recht in een rechtsvorm naar Nederlands recht en vervolgens in een andere rechtsvorm naar Nederlands recht. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. De omzetting van de buitenlandse rechtsvorm van X in een rechtsvorm naar Nederlands recht en vervolgens in een andere rechtsvorm naar Nederlands recht leidt er niet toe dat de vestigingsplaatsfictie van artikel 1.3 van de Wet BB van toepassing wordt ten aanzien van X. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Samenvatting: Er is verzocht om zekerheid vooraf over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2025. Op grond van het voorgaande kwalificeert X niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Samenvatting: Er is verzocht om zekerheid vooraf over de toepassing van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting en over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. Gelet op artikel 4, tweede lid, in combinatie met artikel 4, negende lid, van de Wet DB is ter zake van winstuitkeringen van X aan Y geen Nederlandse dividendbelasting verschuldigd. Conform artikel 4, elfde lid van de Wet DB dient binnen een maand na het tijdstip waarop de opbrengst ter beschikking is gesteld, verklaard te worden door X dat aan alle gestelde voorwaarden is voldaan. Y is niet buitenlands belastingplichtig op grond van artikel 17 of 17a van de Wet Vpb. Voorgaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
Samenvatting: Er is verzocht om zekerheid vooraf over de buitenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting, over de vraag of er sprake is van inhoudingsplicht voor de dividendbelasting en over de afwezigheid van een kwalificerende eenheid voor de conditionele bronbelasting op dividenden. Men wenst zekerheid voor de boekjaren 2026 tot en met 2030. De in het buitenland gevestigde commanditaire vennoten in Y drijven geen onderneming in Nederland door middel van een vaste inrichting met betrekking tot hun belang in Y. Op grond van het voorgaande kwalificeren X1 en X2 niet als houdstercoöperatie in de zin van artikel 1, achtste lid van de Wet DB en er is om die reden geen inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Er is ten aanzien van de investeerders van zowel X1 als van X2 geen sprake van een kwalificerende eenheid voor toepassing van de Wet BB. Bovenstaande is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 16 maart 2026 tot en met 31 december 2030.
Samenvatting: Er is verzocht om zekerheid vooraf over de afwezigheid van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger voor de vennootschapsbelasting in Nederland. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. Gelet op artikel 3, vierde lid van de Wet Vpb in combinatie met de relevante bepalingen van het verdrag tussen Nederland en verdragsland A oefent X haar onderneming niet uit met behulp van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger in Nederland voor de toepassing van de Wet Vpb. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst, met een looptijd van 16 maart 2026 tot en met 31 december 2030.
Samenvatting: De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de innovatiebox over de periode 2023/2024 tot en met 2029/2030, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2022/2023. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met 2024/2025. De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2030 en is van overeenkomstige toepassing in de jaren 2023/2024 en 2024/2025, waarvoor de aangiften vennootschapsbelasting reeds zijn ingediend.
Samenvatting: De fiscale eenheid X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de innovatiebox over de periode 2023 tot en met 2028, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2022. De aangiften vennootschapsbelasting zijn inmiddels ingediend tot en met 2023. De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2028 en is van overeenkomstige toepassing in het jaar 2023, waarvoor de aangifte vennootschapsbelasting reeds is ingediend.
Samenvatting: X heeft een verzoek om vooroverleg ingediend voor toepassing van de innovatiebox over de periode 2025 tot en met 2029, aansluitend op een eerdere afspraak tot en met 2024. De Belastingdienst is in het vooroverleg tot de conclusie gekomen dat aan de eisen voor de gevraagde toepassing van de innovatiebox is voldaan. Er is overeenstemming bereikt over de toepassing van de innovatiebox. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029.
Samenvatting: X heeft verzocht om zekerheid vooraf dat de vestigingsplaatsficties van artikel 2, vijfde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) en artikel 1, derde lid van de Wet op de dividendbelasting 1965 (Wet DB) niet op haar van toepassing zijn na de omzetting van haar rechtsvorm naar buitenlands recht in een rechtsvorm naar Nederlands recht en vervolgens in een andere rechtsvorm naar Nederlands recht. Men wenst zekerheid voor de jaren 2026 tot en met 2030. De omzetting van de buitenlandse rechtsvorm van X in een rechtsvorm naar Nederlands recht en vervolgens in een andere rechtsvorm naar Nederlands recht leidt er niet toe dat de vestigingsplaatsficties van artikel 2, vijfde lid van Wet Vpb en artikel 1, derde lid van de Wet DB van toepassing worden ten aanzien van X. Dit is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst met een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030.
Samenvatting: Er is door X een verzoek ingediend voor het verkrijgen van zekerheid vooraf dat haar fiscale vestigingsplaats niet in Nederland ligt. Zij wenst ook zekerheid over haar inhoudingsplicht voor de dividendbelasting. Het verzoek is afgewezen. Er is geen zekerheid vooraf gegeven. Het voorgaande zal in beginsel worden beoordeeld in het kader van het reguliere toezicht.
Mocht u mijn werk op prijs stellen en (geldelijke) waardering willen uiten, dan zou u een donatie kunnen doen via deze link, of via onderstaande qr-code.

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.