Oké. Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen. Afgelopen dinsdag is er iets gebeurd, dat ik hier, vandaag, liever niet had opgeschreven. Het is iets waar ik me diep voor schaam.
Ik was bezig met het afronden van de laatste versie van het laatste hoofdstuk van mijn nieuwe boek. In alle eerlijkheid was dat niet alleen dinsdag. Ik was hier al vier dagen mee bezig. Vier dagen aan pakweg twaalf honderd woorden die maar niet wilden lukken, die scheef bleven staan hoe recht ze ook werden neergezet.
Ik had ondertussen al drie versies weggegooid. Ik had ‘s nachts liggen malen over één alinea, waarvan ik me ‘s ochtends realiseerde dat deze überhaupt niet nodig was om te gebruiken. Kortom: het schrijven ging zoals schrijven gaat.
Ik was diep gefrustreerd, bijna boos, vanwege deze situatie. En toen, ergens rond negen uur, deed ik iets wat ik nog niet eerder had gedaan. Ik plakte het hoofdstuk dat ik in gedachte had in een chatvenster, om aan Claude de opdracht te geven het te schrijven.
Nog geen twintig seconden later stond er een compleet hoofdstuk, dat veel beter was dan de mijne. Niet fantastisch, niets waarmee je prijzen zal winnen, maar ongekend veel beter dan wat ik in vier dagen bij elkaar had geschreven, met een oplossing waar ik al die tijd omheen had gelopen, zonder hem te zien.
Ik weet nog precies wat ik toen, dinsdagavond, voelde. Eerst opluchting, daarna dankbaarheid, daarna berusting. Alleen daarna, binnen een minuut of twee, voelde ik ineens iets anders. Ik voelde een leegte. Totale leegte. Het hoofdstuk was geschreven. Er was alleen niets gebeurd.
‘Dat is raar’, dacht ik bij mezelf. Als ik dat hoofdstuk zelf had gekraakt, op dag vijf, of dag zes, na nog een nacht wakker liggen, dan had ik dat gevoel van ongekende euforie weten te ervaren. Dat moment waarop iets eindelijk klikt en je een rondje door de kamer loopt zonder reden. Dat gevoel is, en dan spreek ik enkel voor mezelf, een van de weinige echte geluksmomenten die een volwassen mens nog krijgt.
Dat gevoel heb ik dinsdag alleen niet gehad. Maar wat ik wél had, was het hoofdstuk. Als ik dit vaker doe, dacht ik bij mezelf, hou ik straks alleen nog maar hoofdstukken over. En ineens was daar het bizarre, ronduit akelige, besef.
We zijn voortdurend bezig met de impact van kunstmatige intelligentie (AI) op onze samenleving, economie en banen. Alleen voortdurend stellen we ons de verkeerde vraag.
De vraag die wij stellen is: zal AI onze banen afpakken en ons werkloos maken?
Het goede nieuws is dat dat niet zal gebeuren. Banen zullen worden overgenomen, maar ‘werk’ zal niet verdwijnen. Er zullen immers ook heel veel banen bij komen, alleen welke banen dat zijn (ze moeten immers nog bedacht worden) dat weten we niet.
Ik heb alleen ook slecht nieuws. De vraag die wij onszelf moeten stellen is: zal AI ons geluk afpakken en ons ongelukkig maken?
Dat is het grote gevaar waar je niemand over hoort spreken. Kunstmatige intelligentie zal niet de start van collectieve werkloosheid, maar van een collectieve depressie zijn.
Oké, we doe eens een klein experiment. Denk aan de vijf momenten in je leven waar je het meest trots op bent. De momenten waarvan je, als je er nu aan denkt, nog iets in je borst voelt. Niet de leukste momenten, maar de momenten van ultieme trots.
Ik durf er geld op te zetten dat geen van de momenten die jij nu in hoofd hebt, makkelijke momenten waren. Sterker nog: ik weet zeker dat deze momenten het einde waren van een moeilijke tijd.
De studie die je bijna niet afkreeg. Een relatie die je hebt gered op een moment dat het logischer was om weg te lopen. Een gesprek waar je maandenlang tegenop zag en dat je uiteindelijk toch bent aangegaan. Een marathon lopen, waar je tijdens de trainingen al geen zin meer in had.
De gelukkigste momenten in ons leven komen altijd voort uit een periode van enorme moeite en inspanning.
Geluk zit namelijk niet in het resultaat, het zit in de verhouding tussen wat iets van je vroeg en wat je uiteindelijk kon leveren. Niemand zegt ooit op zijn sterfbed: het mooiste van mijn leven was hoe soepel het allemaal ging.
Dat brengt ons terug bij het punt uit de introductie.
Het probleem is niet dat AI moeilijke dingen voor ons kan uitvoeren. Sterker nog: dat is geweldig. Het probleem is, hoe paradoxaal dat ook klinkt, dat wij AI de moeilijke dingen laten doen.
Laten we eerlijk zijn. Wanneer gebruik jij ChatGPT, Claude of een andere vorm van kunstmatige intelligentie?
Je gebruikt het niet als iets makkelijk is: als iets makkelijk is doe je het gewoon zelf, dat is sneller. Je gebruikt het op het moment dat iets stroef wordt. Als je vastloopt. Als de analyse ingewikkeld is. Als je even niet weet hoe je iets moet formuleren. Als je geen zin hebt. Als je moeite moet doen.
Dat is geweldig, maar tegelijkertijd afschuwelijk.
Wij hebben een technologie uitgevonden die feilloos de moeilijke momenten voor ons uit handen kan nemen. Alleen zo hebben wij óók een technologie uitgevonden dat precies dat werk uitvoert, waar het geluk in ons leven mee wordt gebouwd.
Kijk. Vroeger was ‘moeilijk’ niet onderhandelbaar. Als je een taal wilde spreken, moest je hem leren. Als je wilde weten hoe iets zat, moest je het uitzoeken. Als je een moeilijk gesprek moest voeren, moest je dat gesprek voeren. De weerstand zat ingebakken in het leven, en juist daardoor werden mensen iemand, juist daardoor werden ze goed.
Nu is ‘moeilijk’ optioneel geworden. Het gevolg is dat we de moeite niet meer nemen.
Op veel domeinen in ons leven is dit geweldig. Google Maps zorgt dat we overal moeiteloos komen. We hebben hiermee ons vermogen verloren om te navigeren, maar we hebben ruimte in ons hoofd gevonden om over andere dingen na te denken. Dat vinden we prima, want navigeren is niet wie we zijn.
Alleen wat als hetzelfde mechanisme zich nu richt op ons denken? Op het maken van dingen die we willen maken? Op het zijn van een mens?
Dan geven geen vaardigheid weg. Nee, wat we dan weggeven is de plek waar we onszelf als mens tegenkomen. En vervolgens vragen we onszelf af hoe het kan dat we zijn verdwaald.
Dit is het venijnigste stuk. Wanneer je kunstmatige intelligentie gebruikt, blijft de uitkomst hetzelfde. Sterker nog, de uitkomst wordt vaak beter.
Het hoofdstuk was beter. De mail wordt beter. De analyse is scherper, sneller, netter. Er is geen enkel objectief meetpunt waarop je kunt aanwijzen dat er iets verloren is gegaan. Wij meten onszelf volledig in termen van output. En als je jezelf beoordeelt op wat er uit je komt, en er komt meer en beter uit dan ooit, dan is er per definitie niets aan de hand.
Er is alleen een ding dat we vergeten. De output is vaak beter. Alleen de mens is dat niet.
Wat er verdwijnt, verdwijnt aan de binnenkant, en het verdwijnt langzaam.
Je merkt op een dag dat je minder lang geconcentreerd kunt blijven op één probleem. Dat je sneller ongeduldig wordt bij iets wat niet meteen lukt. Dat je bij tegenslag niet meer denkt, ik ga hier doorheen maar hier moet een snellere route voor zijn. Dat je vier dagen worstelen niet meer ziet als het werk, maar als een storing in het proces.
Op zo’n moment laten wij kunstmatige intelligentie het werk doen, maar het gevolg is dat wij onszelf van uithollen. Voorheen kostte het resultaat tijd, maar voelde je de vreugde wanneer je het voor elkaar zou krijgen. Nu lukt het je om het resultaat te krijgen. Alleen op dat moment, precies op dat moment, merk je iets vreselijks. Je voelt een enorme leegte. Je voelt helemaal niets.
De hele discussie over AI wordt dan ook gevoerd in de verkeerde richting. We vragen ons af of een machine ooit menselijk kan worden.
Machines gaan alleen niet op mensen lijken. De mens wordt een machine. Het is precies andersom.
Denk je dat dit iets is wat in de toekomst zal gebeuren? Nou, kijk dan eens naar de taal die we nú al gebruiken.
We zeggen dat we ‘geen bandbreedte hebben‘. Dat we ‘moeten opladen‘. Dat we ‘aan het resetten‘ zijn, dat ons systeem ‘overbelast’ is, en dat we deze week maar ‘op tachtig procent capaciteit’ hebben gedraaid.
We hebben onszelf al in computertaal beschreven.
Als we onszelf beschrijven als een systeem dat rendement moet leveren, dan is elke vorm van weerstand per definitie een storing.
Dan is trage, moeizame, onhandige menselijkheid iets wat je hoort weg te patchen, in plaats van de weg naar geluk.
Ik moet nog iets bekennen, en dit is het stuk waar ik me écht voor schaam.
Afgelopen donderdag werd de vriendin van een goede vriend van me plotseling heel ziek. Ik hoorde het ‘s avonds laat, toen hij mij een voice memo stuurde. Ik ging zitten om hem een bericht te sturen, maar ik wist niet wat ik moest zeggen. Dat is logisch, niemand weet wat hij moet zeggen, dat is precies het punt van zo’n bericht.
Toen gebeurde er alleen iets, dat ik niet kon geloven. De gedachte kwam bij me op om AI het bericht te laten schrijven. Sterker nog: ik betrapte mezelf erop dat ik het venster al open had.
Ik heb het niet gedaan. Ik heb er misschien twintig seconden over nagedacht, om het vervolgens toch te laten. Dit maakt het alleen niet minder erg.
Dit is namelijk het teken ik, dat wat mij mens maakt, langzaam begin te verliezen. Ik had het knopje al bijna ingedrukt om de meest menselijke handeling uit te besteden. Om de juiste woorden te vinden, en om iemand om wie je geeft te laten weten dat je aan hem denkt.
Ik heb uiteindelijk drie zinnen gestuurd. Ze waren niet mooi. Er zat een typefout in, en de laatste zin liep niet. Maar ik had het wel zelf geschreven. Het was mijn eigen bericht.
Hij belde me de volgende ochtend. We hebben veertig minuten gepraat. Ik heb, volgens mij niets zinnigs gezegd. Ik heb gewoon geluisterd. Er is niets geproduceerd, niets geoptimaliseerd, niets opgeleverd. Die avond stuurde hij mij een bericht dat dit gesprek hem door de dag had geholpen, en zo was dit met afstand het beste wat ik afgelopen maand heb gedaan.
Stel nu dat ik wél kunstmatige intelligentie gebruikt had om dat bericht te maken. Als ik die drie zinnen had laten schrijven, dan waren ze ongetwijfeld beter geweest. Ze waren vloeiender, warmer geformuleerd, met precies het juiste evenwicht tussen medeleven en ruimte.
Hij had misschien niet eens gemerkt dat ze niet van mij waren. Maar ik had het geweten. En dat is genoeg.
Laat een ding duidelijk zijn: ik ben geen tegenstander van kunstmatige intelligentie. Ik zie het als een bron van vooruitgang. Ik gebruik het dagelijks. Er zijn honderd dingen waar ik het zonder enige wroeging aan overlaat.
Maar ik heb er sinds afgelopen dinsdag één regel bij. En die regel is simpel.
Op het moment dat ik voel dat iets moeilijk wordt, dat kleine steekje, dat lichte verzet, dat ‘hier heb ik geen zin in’, dan is dat geen signaal om ernaar te grijpen. Dat is het signaal om door te zetten. Dat is het signaal dat ik precies op de goede plek ben beland.
De reden is simpel. Dat gevoel, dat ongemakkelijke gevoel dat je wilt wegdrukken, is niet de storing. Dat gevoel is de plek waar geluk vandaan komt, waar karakter vandaan komt, en waar het rondje door de kamer vandaan komt als het eindelijk klikt.
Dan, tot slot, nog even over dat hoofdstuk. Ik heb het gelezen, maar daarna heb ik het weggegooid.
Ik heb er nog drie dagen over gedaan. Het eindresultaat is slechter dan wat er dinsdagavond op mijn scherm zou verschijnen. Toch heb ik ervoor gekozen om dat stuk te gebruiken. Het staat in september gewoon in het boek.
Waarom? Heel simpel.
Dat stuk is van mij, en ik ben er iemand van geworden.
Dat is het mooiste in het leven, dat een machine je nooit kan geven.
Niet het resultaat, maar de mens die je wordt onderweg ernaartoe.
👉 Mijn gloednieuwe boek ‘De babyboomerbiljoenen’ is nu verkrijgbaar. Benieuwd? Je kan ‘m hier bestellen, en dan ontvang je een door mij GESIGNEERD exemplaar.
👉 Ik ga met mijn voorstelling het theater in: Rotterdam (UITVERKOCHT), Den Haag, Deventer, Venray en Amsterdam. Wil je er bij zijn? Tickets zijn nu hier verkrijgbaar.
No posts

Comments
Nothing yet. Say the first thing.
Sign in to join the conversation.