RSS Amplifier

Schrijven met Ouariachi · May 30, 2026

Verpulverend verliefd

0
Sign in to vote or save

Jamal Ouariachi · Schrijven met Ouariachi

Hallo daar,

Een van de twee leraren van wie ik op het gymnasium Oudgrieks kreeg, heeft meer dan vijftig jaar lang een leesclub geleid. Wat, geloof ik, begon als een soort huiswerkbegeleiding voor probleemgevallen, mondde uit in een liefhebberij voor ex-leerlingen.

Begin 2016 liep ik die leraar, Rob de Jong, weer eens tegen het lijf. Hij nodigde me uit om een keertje aan te schuiven.

‘Gewoon bij mij thuis, aan de eettafel. Borreltje erbij. We beginnen binnenkort aan de Odyssee.’

‘Ik vrees dat mijn Grieks wel erg is weggezakt,’ zei ik.

‘O, dat geeft helemaal niks, jongen. Ik vertaal voor, ik wijs af en toe op bijzonderheden, en verder hoef je niks te doen, alleen meelezen.’

En zo toog ik op een donderdag aan het einde van de middag naar zijn huis. Er waren zo’n tien, vijftien andere oud-leerlingen, sommige kende ik, maar er zaten er ook bij die een stuk ouder of een stuk jonger waren.

Zijn vrouw en hij zetten drankjes klaar, ik kreeg een flesje bier en een glaasje ijskoude jonge klare voor mijn neus.

Ik had mijn Loeb Library-exemplaar van de eerste helft van de Odyssee bij me, met links het Grieks en rechts het Engels. We sloegen onze boeken open en Rob begon live te vertalen.

Af en stond hij stil bij een kernwoord in een vers, bij een opvallende grammaticale kwestie, bij een literaire techniek.

Hij gaf weleens verschillende mogelijke varianten om een woord of frase te vertalen, waarbij hij vaak verwees naar de wat gedragen vertaling van dichter en classicus P.C. Boutens, uit 1937, met milde spot maar toch ook bewondering.

(Om je een idee te geven van Boutens’ stijl — zo begon zijn Odyssee-vertaling: ‘Moeze, verhaal van den man die, veelervaren, gedurig/ Sloeg uit den koers na ’t verwoesten van Troia’s heilige borchstad’)

Een uur en zo’n 220 versregels later stonden we weer buiten.

Ik bleef er jarenlang heengaan. Het werd een wonderlijk soort rustpunt in de week: donderdag van vijf tot zes, dat ene uurtje opperste concentratie op een tekst, woord voor woord, regel voor regel.

Aan achtergrondinformatie verschafte Rob alleen het hoogst noodzakelijke. Aan interpreteren waagde hij zich zelden.

Het ging om de tekst, om niets dan de tekst: maar dat was al zo veel dat je er een heel leven mee kon vullen.

Over de Odyssee deden we denk ik zo’n anderhalf jaar. Wat lazen we nog meer in de tijd dat ik eraan deelnam? Ik herinner me Hippolytus van Euripides (indrukwekkend, maar het raakte me niet).

We lazen verpletterende meesterwerken van Sophocles: Koning Oedipus en later Antigone.

We lazen Plato — daar was ik nooit een liefhebber van geweest. Uit interesse voor de filosofie had ik wel een en ander van hem in vertaling gelezen, maar die vertalingen vond ik stroef.

Al die lelijke voltooid verleden tijden (in het Grieks veel minder lelijk).

Dat gedoe met al die vertellagen (‘Ik kwam laatst Die-en-die tegen, en die was op een feestje geweest van Dinges, waar hij in gesprek was geraakt met Jeweetwel, die een festival had bezocht waar Socrates rondliep, en die had toen gezegd, zo had Jeweetwel volgens Die-en-die aan Dinges verteld, dat…’).

En die flauwe retorische trucjes van Socrates begonnen me ook steeds meer tegen te staan, naarmate ik meer las. Oh, daar gaat hij weer in gesprek met iemand die denkt dat hij ergens alles van weet en, o jongens, dat blijkt dan toch niet zo te zijn!

Toen we Plato’s Symposium in de leesclub behandelden, was ik verrukt: ik genoot van de rijke ironie in die tekst, en wat de personages te zeggen hadden klonk, zo in de oorspronkelijke taal, fris en origineel alsof je er volkomen onbevangen voor het eerst mee in aanraking kwam.

We waren nét begonnen aan de Ilias toen de corona-pandemie losbarstte.

Al snel kwam Zoom in ieders leven. Ook in dat van de leesclub.

Het was natuurlijk niet hetzelfde. We gingen wel allemaal optimistisch met een drankje erbij achter onze laptops zitten, maar echt gezellig werd het niet.

Door perikelen in mijn eigen leven haakte ik op den duur af.

Ach, zo ging dat, ik had in de jaren dat ik meelas verschillende figuren een tijdje zien aansluiten en daarna waren ze weer verdwenen, en zo eentje was ik er zelf nu ook.

En ineens kwam er een tijdje terug een mail. Rob had, na ruim vijftig jaar, besloten ermee op te houden.

Nog één keer kwam de leesclub bij elkaar, afgelopen donderdag, in het bovenzaaltje van het café dat een van de leesclubleden runt.

Rob had twee teksten geselecteerd. Een fragment uit Electra van Sophocles — een passage die, naar zijn stellige overtuiging, de makers van Ben-Hur gelezen moeten hebben voordat ze de beroemde wagenrace-scène filmden.

En er was de idylle ‘Pharmakeutria’ van de dichter Theocritus, uit de derde eeuw voor Christus.

Ik kende dat gedicht niet. Ik vond het zo adembenemend mooi dat ik het hier graag met jullie deel.

Een Nederlandse vertaling kon ik zo gauw niet te pakken krijgen. Een oude Engelse vertaling is online beschikbaar: die van Charles Stuart Calverley uit 1869.

Ik heb tussen de strofen door wat commentaar geplaatst.

Rob de Jong tijdens de allerlaatste leesclubsessie.

Alles wat je moet weten is dat we hier met een monoloog te maken hebben van een jonge vrouw, Simaetha, die verpulverend verliefd is op Delphis.

Maar hij heeft haar in de steek gelaten.

Met hulp van haar dienstmaagd Thestylis voert ze een aantal magische rituelen uit en roept zij de maan aan, in een poging om Delphis terug te winnen.

Where are the bay-leaves, Thestylis, and the charms?
Fetch all; with fiery wool the caldron crown;
Let glamour win me back my false lord’s heart!
Twelve days the wretch hath not come nigh to me,
Nor made enquiry if I die or live,
Nor clamoured (oh unkindness!) at my door.

Sure his swift fancy wanders otherwhere,
The slave of Aphrodite and of Love.

Otherwere — ja, natuurlijk, dat vreet aan iedereen die is verlaten: is de weggelopen geliefde alweer met een ander aan het rotzooien?

I’ll off to Timagetus’ wrestling-school
At dawn, that I may see him and denounce
His doings; but I’ll charm him now with charms.

So shine out fair, O moon! To thee I sing
My soft low song: to thee and Hecate
The dweller in the shades, at whose approach
E’en the dogs quake, as on she moves through blood
And darkness and the barrows of the slain.

All hail, dread Hecate: companion me
Unto the end, and work me witcheries
Potent as Circe or Medea wrought,
Or Perimede of the golden hair!

Hecate — Griekse godin verbonden met magie en hekserij, met de nacht en met de maan. Circe — toverkol die onder meer de bemanning van Odysseus in varkens veranderde. Medea, die met een toverzalf Jason hielp om het Gulden Vlies te veroveren. Perimede — kenner van kruiden en vergiffen.

Met zulke mengsters van brouwsels als voorbeelden in gedachten kan de magie beginnen. Tien keer brengt Simaetha een toverwiel, ‘magic wheel’, in beweging en draagt het op haar geliefde terug te halen: een bedwelmend refrein.

(Dat toverwiel heet in het Grieks ἶυγξ, iunx, het woord voor draaihals, de vogel waarin de nimf Iunx veranderd werd door Hera omdat ze geprobeerd had Zeus te verleiden. Een tijdlang werd die vogel midden in een toverwiel vastgebonden bij magische liefdesrituelen.)

Turn, magic wheel, draw homeward him I love.
First we ignite the grain. Nay, pile it on:
Where are thy wits flown, timorous Thestylis?
Shall I be flouted, I, by such as thou?
Pile, and still say, ‘This pile is of his bones.’

Turn, magic wheel, draw homeward him I love.
Delphis racks me: I burn him in these bays.
As, flame-enkindled, they lift up their voice,
Blaze once, and not a trace is left behind:
So waste his flesh to powder in yon fire!

Ja, sta ik aan de zijlijn begripvol te juichen. Ja, verbrandt zijn botten en zijn vlees!

Turn, magic wheel, draw homeward him I love.
E’en as I melt, not uninspired, the wax,
May Mindian Delphis melt this hour with love:
And, swiftly as this brazen wheel whirls round,
May Aphrodite whirl him to my door.

Ondanks de razernij blijft de liefde — en de hoop.

Turn, magic wheel, draw homeward him I love.
Next burn the husks. Hell’s adamantine floor
And aught that else stands firm can Artemis move.
Thestylis, the hounds bay up and down the town:
The goddess stands i’ the crossroads: sound the gongs.

Turn, magic wheel, draw homeward him I love.
Hushed are the voices of the winds and seas;
But O not hushed the voice of my despair.
He burns my being up, who left me here
No wife, no maiden, in my misery.

Zijn echtgenote is ze niet geworden, maar een maagd is ze ook niet meer.

Nog voor we hem echt hebben leren kennen, beginnen we deze Delphis al een enorme schoft te vinden.

Turn, magic wheel, draw homeward him I love.
Thrice I pour out; speak thrice, sweet mistress, thus:
“What face soe’er hangs o’er him be forgot
Clean as, in Dia, Theseus (legends say)
Forgat his Ariadne’s locks of love.”

Tja, en hier begint vertaler Calverley een beetje te huichelen uit preutsheid, want Simaetha zegt niet ‘wier gezicht ook boven het zijne hangt’, nee, haar gebed luidt: met wie hij ook in bed ligt, vrouw of man’.

Oei! Man? Dat kan zomaar niet!

Smerige Grieken!

Turn, magic, wheel, draw homeward him I love.
The coltsfoot grows in Arcady, the weed
That drives the mountain-colts and swift mares wild.
Like them may Delphis rave: so, maniac-wise,
Race from his burnished brethren home to me.

Turn, magic wheel, draw homeward him I love.
He lost this tassel from his robe; which I
Shred thus, and cast it on the raging flames.
Ah baleful Love! why, like the marsh-born leech,
Cling to my flesh, and drain my dark veins dry?

Woedend neemt ze een kwastje van zijn gewaad, verscheurt het en werpt de resten in de vlammen. Scheuren, verbranden — woede uit het diepste verdriet.

Maar desondanks blijft hij aan haar vlees plakken — als een moerasbloedzuiger.

En o, dat woord bloedzuiger in het Grieks! Prachtig is het: βδέλλα, spreek het maar eens uit: bdella, de dubbele knal van die twee medeklinkers zonder klinker ertussen — b-d! — en dan die dikke dubbele l waaruit niets dan minachting spreekt.

Ik word er helemaal vrolijk van als ik zo’n woord leer. Bdella. Bdella.

Turn, magic wheel, draw homeward him I love.
From a crushed eft tomorrow he shall drink
Death! But now, Thestylis, take these herbs and smear
That threshold o’er, whereto at heart I cling
Still, still — albeit he thinks scorn of me —
And spit, and say, ‘’Tis Delphis’ bones I smear.’

Exit Thestylis. Simaetha blijft alleen achter voor het tweede deel van het gedicht.

Turn, magic wheel, draw homeward him I love.
Now, all alone, I’ll weep a love whence sprung
When born? Who wrought my sorrow? Anaxo came,
Her basket in her hand, to Artemis’ grove.
Bound for the festival, troops of forest beasts
Stood round, and in the midst a lioness.

Nu zij alleen is verandert de toon. Niet langer is er die allesoverheersende woede over in de steek gelaten zijn, nee, nu ontstaat er ruimte voor de brandstof van die woede: verdriet.

En wat is verdriet in de liefde anders dan verloren vreugde? Dus keert Simaetha terug naar het extatische begin van haar liefde.

Ze vat een nieuw refrein aan, dat ze twaalf keer zingt — evenveel als het aantal dagen dat Delphis niet is komen opdagen.

In dat refrein vraagt ze de maan te bedenken waar haar liefde toch vandaan kwam (φράζεό μευ τὸν ἔρωθ᾿ ὅθεν ἵκετο, πότνα Σελάνα).

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
Theucharidas’ slave, my Thracian nurse now dead
Then my near neighbour, prayed me and implored
To see the pageant: I, the poor doomed thing,
Went with her, trailing a fine silken train,
And gathering round me Clearista’s robe.

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
Now, the mid-highway reached by Lycon’s farm,
Delphis and Eudamippus passed me by.
With beards as lustrous as the woodbine’s gold
And breasts more sheeny than thyself, O Moon,
Fresh from the wrestler’s glorious toil they came.

Een prachtig beeld: twee geoliede spierbundels met goudblonde baarden verlaten de sportschool.

Patsers natuurlijk — alles aan hun verschijning schreeuwt: slecht nieuws, niet doen, maar Simaetha valt als een blok voor Delphis.

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
I saw, I raved, smit (weakling) to my heart.
My beauty withered, and I cared no more
For all that pomp; and how I gained my home
I know not: some strange fever wasted me.
Ten nights and days I lay upon my bed.

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
And wan became my flesh, as ‘t had been dyed,
And all my hair streamed off, and there was left
But bones and skin. Whose threshold crossed I not,
Or missed what grandam’s hut who dealt in charms?
For no light thing was this, and time sped on.

Totale fysieke vernietiging. Dit is geen lullig verliefdheidje. Zelfs haar haren vallen uit.

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
At last I spake the truth to that my maid:
“Seek, an thou canst, some cure for my sore pain.
Alas, I am all the Mindian’s! But begone,
And watch by Timagetus’ wrestling-school:
There doth he haunt, there soothly take his rest.

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
“Find him alone: nod softly: say, ‘she waits’;
And bring him.” So I spake: she went her way,
And brought the lustrous-limbed one to my roof.
And I, the instant I beheld him step
Lightfooted o’er the threshold of my door,

(Bethink thee, mistress Moon, whence came my love,)
Became all cold like snow, and from my brow
Brake the damp dewdrops: utterance I had none,
Not e’en such utterance as a babe may make
That babbles to its mother in its dreams;
But all my fair frame stiffened into wax.

Daar is hij dan, onder haar dak. En ze bevriest, ze verstijft, ze kan nog niet het gebrabbel van een baby uitbrengen.

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
He bent his pitiless eyes on me; looked down,
And sate him on my couch, and sitting, said:
“Thou hast gained on me, Simaetha, (e’en as I
Gained once on young Philinus in the race,)
Bidding me hither ere I came unasked.

Zoals hij bij de wedstrijd sneller was dan Philinus, zo is zij nu sneller geweest dan hij — door hem uit te nodigen vóór hij zelf ongevraagd had kunnen langskomen.

Vanwaar die omslachtige formulering?

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
“For I had come, by Eros I had come,
This night, with comrades twain or may-be more,
The fruitage of the Wine-god in my robe,
And, wound about my brow with ribands red,
The silver leaves so dear to Heracles.

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
“Had ye said ‘Enter,’ well: for ‘mid my peers
High is my name for goodliness and speed:
I had kissed that sweet mouth once and gone my way.
But had the door been barred, and I thrust out,
With brand and axe would we have stormed ye then.

Aha, we hebben met een ijdeltuit te maken, zich ten volle bewust van zijn schoonheid en sportieve kwaliteiten, en tevens een player: vandaar die eerdere omslachtige formulering, het zijn gladde praatjes, we zien het risico en willen Simaetha toeroepen: doe het niet!

Maar ze is hulpeloos.

Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.
“Now be my thanks recorded, first to Love,
Next to thee, maiden, who didst pluck me out,
A half-burned helpless creature, from the flames,
And badst me hither. It is Love that lights
A fire more fierce than his of Lipara;

(Bethink thee, mistress Moon, whence came my love.)
“Scares, mischief-mad, the maiden from her bower,
The bride from her warm couch.” He spake: and I,
A willing listener, sat, my hand in his,
Among the cushions, and his cheek touched mine,
Each hotter than its wont, and we discoursed
In soft low language. Need I prate to thee,
Sweet Moon, of all we said and all we did?

Hier schiet vertaler Calverley opnieuw in een stuip, want Theocritus wordt hier ongekend expliciet.

Ik moest even zoeken, maar ik vond uiteindelijk een latere vertaling, van R.C. Trevelyan, in 1947 verschenen bij Cambridge University Press, en deze Trevelyan durft het wél aan:

And soon limbs at the touch of limbs grew love-ripe, and our faces
Glowed warmer still and yet more warm, and we whispered sweet words.
So, not to lengthen out my tale and weary thee, dear Moon,
The greatest deeds of love were done, and we both reached our desire.’

Je kunt eromheen draaien, maar ze kwamen dus allebei klaar, en dat is niet irrelevant voor een zo diep gepassioneerd gedicht.

Terug naar Calverley’s versie.

Till yesterday he found no fault with me,
Nor I with him. But lo, to-day there came
Philista’s mother — hers who flutes to me —
With her Melampo’s; just when up the sky
Gallop the mares that chariot rose-limbed Dawn:
And divers tales she brought me, with the rest
How Delphis loved, she knew not rightly whom:

(Om precies te zijn: ze wist niet wie, vrouw of man, maar dat element krijgt Calverley opnieuw niet uit zijn vertalerspen…)

But this she knew; that of the rich wine, aye
He poured ‘to Love;’ and at the last had fled,
To line, she deemed, the fair one’s hall with flowers.

Such was my visitor’s tale, and it was true:
For thrice, nay four times, daily he would stroll
Hither, leave here full oft his Dorian flask:
Now — ’tis a fortnight since I saw his face.
Doth he then treasure something sweet elsewhere?
Am I forgot? I’ll charm him now with charms.
But let him try me more, and by the Fates
He’ll soon be knocking at the gates of hell.

Spells of such power are in this chest of mine,
Learned, lady, from mine host in Palestine.
Lady, farewell: turn ocean-ward thy steeds:
As I have purposed, so shall I fulfil.
Farewell, thou bright-faced Moon! Ye stars, farewell,
That wait upon the car of noiseless Night.

En zo, met die herhaalde woorden van afscheid, beëindigt Simaetha haar klaagzang.

En zo, met die herhaalde woorden van afscheid, beëindigde Rob de Jong zijn decennia-oude leesclub. Een afscheid gewijd aan een gedicht vol van het vuur van verpulverende verliefdheid — en uit de keuze voor dat gedicht sprak een verpulverende liefde voor literatuur.

Ik hoop dat hij en zijn vrouw nog heel lang samen blijven lezen.

Ik zit er, denk ik, niet ver naast als ik zeg dat Rob heel veel oud-leerlingen anders heeft leren lezen. Voor mezelf kan ik dat in ieder geval met zekerheid zeggen.

Anders ja, langzamer, preciezer, geconcentreerder — met de woorden als enig aanknopingspunt.

Dat is een gift voor het leven — en ik ben hem er eeuwig dankbaar voor.

Dat was ’m voor deze week.

Elke nieuwe aflevering van Schrijven met Ouariachi is gratis te lezen.

Wel stel ik het op prijs als je mijn werk steunt door een betaald abonnement te nemen.

Dat kan al voor 6 euro per maand.

Neem je een jaarabonnement, dan betaal je geen 72 maar slechts 60 euro.

Daarmee krijg je toegang tot het volledige archief van Schrijven met Ouariachi, dat inmiddels bestaat uit 150 afleveringen. Daarnaast zijn er nog de 70 afleveringen die samen de cursus ‘Een verhaal in 10 weken’ vormen.

Tot volgende keer!

Jamal

Read the original on jamalouariachi.substack.com

Comments

Nothing yet. Say the first thing.

    Sign in to join the conversation.